Fiom onderzocht hoe jongeren omgaan met het opvragen van donorinformatie. Sinds de invoering van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb) in 2004 hebben donorkinderen vanaf 16 jaar het recht om persoons identificerende gegevens van de donor op te vragen. De eerste generatie jongeren bereikte deze leeftijd in 2021, wat in de begeleidingstrajecten van Fiom leidde tot een groeiende instroom van jongeren en hun families.
In dit onderzoek, uitgevoerd in de periode 2021-2023 onder 19 deelnemers (17-26 jaar) is gevraagd naar ervaringen, behoeften aan ondersteuning en motivatie om wel of geen informatie over de donor op te vragen. De bevindingen laten zien dat jongeren zeer uiteenlopende en veranderde behoeften en motivaties hebben. Deze worden beïnvloed door familie, sociale omgeving en overige omstandigheden. Veel deelnemers vinden het belangrijk dat de begeleiding bij hen past en dat zij eigen keuzes kunnen maken. Sommige jongeren gaven daarnaast aan behoefte te hebben aan langdurige ondersteuning, zodat zij donorinformatie en eventuele nieuwe relaties met de donor of donor halfbroers* en -zussen* een goede een plek in hun leven kunnen geven.
De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Human Fertility in een speciale editie met de naam Donor Conception Connections. Het Engelstalige artikel is hier gratis te lezen via de website van het tijdschrift.
We vroegen de jongeren ook of zij tips hadden voor andere donorkinderen en deze vind je hier in onze informatieve flyer.
Samenvatting van de resultaten
Een groeiende behoefte aan duidelijkheid en herkenning
Sommige jongeren hebben geen of weinig interesse in de donor. Voor anderen is het meer een achtergrondfiguur en weer anderen ontwikkelen juist een warme band met de donor. Veel deelnemers zijn nieuwsgierig naar hun achtergrond en zoeken naar herkenning. Voor hen speelt de vraag “Op wie lijk ik?” een belangrijke rol in hun zoektocht. Zij zijn vooral geïnteresseerd in:
- persoonlijkheidskenmerken en interesses van de donor,
- fysieke overeenkomsten,
- medische informatie,
- en mogelijke donor halfbroers en -zussen. Bij sommige deelnemers is juist de nieuwsgierigheid naar hen veel sterker dan naar de donor.
De wens om meer over de donor te weten ontstaat op verschillende momenten en kan veranderen. Het begint vaak al op jonge leeftijd, wanneer kinderen hun familie vergelijken met die van anderen. Bij verschillende deelnemers begon het gevoel ‘anders’ te zijn rond de overgang naar de basisschool. Tijdens de puberteit werd de behoefte om meer te weten over afkomst en identiteit voor velen sterker. Voor sommige jongeren voelt deze periode als wachten op het moment dat zij informatie mogen opvragen, terwijl anderen juist pas rond hun zestiende of later nieuwsgierig worden.
Adolescentie: een kwetsbare én bepalende fase
De adolescentie blijkt een intensieve periode om donorinformatie op te vragen. Jongeren bevinden zich midden in hun identiteitsontwikkeling, maken belangrijke keuzes voor de toekomst en ervaren vaak stress op school en sociale druk. Daardoor kan het verzoek om donorinformatie extra beladen voelen, juist óók binnen het gezin. Loyaliteit naar ouders speelt daarbij een grote rol. Sommige jongeren wachten met hun zoektocht omdat zij hun niet-biologische ouder niet willen kwetsen. Anderen worden juist gestimuleerd door ouders of broers en zussen die zelf ook nieuwsgierig zijn.
Contact met de donor: waardevol maar soms ingewikkeld
Het contact met de donor verloopt op verschillende manieren. Sommige jongeren spreken de donor slechts één keer om een indruk te krijgen, terwijl anderen juist regelmatig contact hebben. Weer anderen bouwen een betekenisvolle, maar niet ouderlijke, relatie met hem op. Tegelijkertijd ervaren jongeren uitdagingen:
- Ongemak bij het delen van persoonlijke informatie met iemand die ze niet kennen
- Teleurstelling wanneer de donor niet past bij hun verwachtingen,
- Verschillende behoeftes tussen broers en zussen,
- Of zorgen over het grote aantal mogelijke donor halfbroers en -zussen.
Belang van professionele ondersteuning
De meeste deelnemers ontvingen begeleiding van Fiom tijdens de informatie-uitwisseling. Zij waarderen vooral:
- Een stapsgewijze aanpak,
- Ruimte om in eigen tempo keuzes te maken,
- Continuïteit en een vaste contactpersoon,
- Emotionele steun voorafgaand aan een eerste ontmoeting,
- Nazorg bij het verwerken van nieuwe informatie en het vormgeven van contact.
Verschillende deelnemers geven bovendien aan behoefte te hebben aan langdurige ondersteuning. Niet alleen bij de eerste stap, maar juist in de periode daarna: het een plek geven van donorinformatie en het omgaan met nieuwe en veranderende relaties in hun leven.
Aanbevelingen voor beleid en praktijk
Op basis van de studie pleiten de onderzoekers voor:
- Loslaten van de leeftijdsgrenzen: toegang tot informatie mogelijk maken op jongere leeftijd dan 16 jaar. Dit past beter bij de ontwikkelingsbehoeften van kinderen.
- Stimuleren van vroege en open communicatie binnen gezinnen: vroege en open communicatie over donorconceptie lijkt bij te dragen aan een stabieler identiteitsgevoel, doordat jongeren het als een vanzelfsprekend onderdeel van hun achtergrond ervaren. Wanneer donorconceptie van jongs af aan normaal is, wordt de behoefte aan verdere informatie over de donor vaak als minder urgent gevoeld.
- Toegankelijke, langdurige begeleiding voor jongeren, ouders, donoren en donor halfbroers en -zussen. De toegang tot donorinformatie kan jongeren herkenning en een gevoel van volledigheid geven, maar het aangaan en onderhouden van contact met de donor of donor halfbroers en -zussen brengt tegelijkertijd emotionele en praktische uitdagingen met zich mee.
- Beleid dat aansluit bij de verschillende ervaringen en behoeften van donorkinderen. De bevindingen benadrukken dat flexibel, kindgericht beleid nodig is, waarin leeftijdsgrenzen worden losgelaten, vroege openheid wordt gestimuleerd en toegankelijke, langdurige ondersteuning beschikbaar is voor donorkinderen en hun families.
Maas, A. J. B. M., de Kever, G. M. M., van den Boom, L., & Bolt, S. H. (2026). Donor-conceived adolescents accessing donor information in The Netherlands: their needs, motivations, experiences and available support. Human Fertility, 29(1). https://doi.org/10.1080/14647273.2026.2646883
*Disclaimer woordgebruik: Donorverwant? Halfzus? Halfje? Welke woorden gebruik je? In het Nederlands hebben we geen passende woorden voor de nieuwe verwantschapsrelaties die ontstaan door donorconceptie. Zo wordt het woord donorkinderen ook gebruikt als het gaat over volwassenen. En er is geen geschikt woord voor donor halfbroers en -zussen. Wanneer je broers en zussen hebt, groei je meestal met elkaar op. Je deelt dan vanaf je geboorte het gezinsleven. Een groot verschil dus met donor halfbroers en –zussen die je vaak pas ontmoet als je ouder bent. Je deelt nog geen ervaringen. Iedereen gebruikt eigen woorden voor deze nieuwe relaties en wijst eigen betekenis en gevoelens aan deze woorden toe. Dat betekent dat twee personen hetzelfde woord kunnen gebruiken, maar bij dat woord hele andere associaties hebben. We zijn ons bewust van de beperkingen van de gekozen woorden in ons artikel.