Maart 2026
Henny Kuiper (79) werkte van 1965 tot 1982 in Kindertehuis St. Anna in Halfweg. Haar leven is onlosmakelijk verbonden met dit kindertehuis: als kind woonde zij er om de hoek en ging naar de kleuterschool die aan het kindertehuis verbonden was. Als 18-jarige ging zij er werken, tot het kindertehuis in 1982 gesloten werd. Gedurende haar leven hield zij contact met enkele kinderen. De laatste jaren is zij met oud-collega’s actief op zoek naar de kinderen van toen, om foto’s en verhalen met hen te delen.
Bron foto: privécollectie Henny Kuiper
Hoe bent u bij St. Anna terecht gekomen?
Henny: “Na de Mulo heb ik op een kantoor gezeten. Ik vond daar niks aan. Toen zei mijn moeder: waarom ga je niet kijken of je bij het kindertehuis kan werken? Samen met mijn moeder ben ik naar de directrice gegaan, Zuster Antonella*, en de volgende dag kon ik beginnen. Ik moest nog wel een opleiding gaan doen: Kinderbescherming A en B.
Henny: "Ik probeerde de kinderen zoveel mogelijk om me heen te hebben door ze in een wippertje te zetten of in de box te leggen."
Kunt u het kindertehuis beschrijven?
“Het huis bestond uit drie afdelingen. Afdeling 1 was een babyafdeling met ongeveer 14 baby’s en een kleine kamer met zes baby’s. Zuster Seraphina was het hoofd van deze afdeling, een vrolijke Brabantse non. Afdeling 2 bestond uit twee baby-kamers met elk zes baby’s en twee dreumesenkamers met plek voor in totaal 16 dreumesen. Voor deze afdeling was Zuster Benedicta verantwoordelijk. Afdeling 3 was beneden en bestond uit drie groepen van zo’n 14 grotere kinderen. Boven was er nog een vierde groep grotere kinderen, in de Kabouterkamer.
Afdeling 1 en 2 telden samen dus bijna 50 kinderen. De babykamers waren eigenlijk altijd vol, soms werd er zelfs een kinderwagen bij gezet als er nog een kindje bij moest. In de eerste periode werkte ik op verschillende plekken. Uiteindelijk kreeg ik babykamer twee en zorgde ik de hele dag, in m’n eentje voor zes baby’s. Voor Kinderbescherming B moest ik ook een tijdje met grotere kinderen werken, maar baby’s vond ik veel leuker, dat lag me gewoon.
Er werd bewust gewerkt met vaste mensen op de groep. Je maakte lange dagen, en voor de twee babykamers hadden we een vaste invalkracht. Dus baby’s zagen eigenlijk maar twee gezichten. Overdag moesten de kinderen op schoot de fles krijgen. Dat was verplicht. ’s Nachts werden ze aangelegd. Degene die het meest huilde, gaf je het eerst de fles. Dan was het weer rustig. Als het heel erg was, zette ik er soms een wippertje bij, zodat ik twee kinderen tegelijk kon voeden. Of als ik er 7 had, dan kwam een meisje uit de afdelingskeuken wel eens helpen met flessen geven, want 7 baby’s in een uur op schoot nemen, dat redde ik in m’n eentje niet. Ik probeerde de kinderen zoveel mogelijk om me heen te hebben door ze in een wippertje te zetten of in de box te leggen. Maar ik geloof niet dat ik echt genoeg aandacht kon geven.
Zuster Antonella was verpleegkundige en hield de kinderen in de gaten. Zij deed elke dag een rondje. Eens in de zoveel tijd kwam er een arts in huis. Voor kinderen die erg ziek waren, was er een apart kamertje. Eén keer overleed een kindje waar ik lang voor had gezorgd. Zuster Antonella en Zuster Imelda stonden die avond om half 12 bij mij op de stoep. Omdat ik hem altijd verzorgd had, wilden zij niet dat een ander eerder zou horen dat hij overleden was.
De nonnen deden het huishoudelijk werk: in de wasserij, in de grote keuken, het schoonmaken van de gangen en trappen. Ook Zuster Benedicta: wij deden de babykamer maar zij deed de gang. Als wij er niet waren, maakten de nonnen de flessen en de voeding klaar. Beneden was een grote keuken waar het eten vandaan kwam. In de koelkast stonden grote kannen met voeding. Er stond precies bij voor wie en hoeveel, dat schreef het hoofd van de afdeling erop. Elk kind had een eigen fles, waar hun naam op stond. Voor ze weer gevuld werden, werden ze in de Milton gezet, een ontsmettingsmiddel. Later kregen we kant en klare wegwerpflesjes.”
Hoe zag een dag in het kindertehuis eruit?
“Je begon ’s morgens om half 8. De baby’s hadden de fles dan al gehad, en de baby’s die pap kregen, hadden hun pap gehad. Daarna ging je ze in bad doen, dat waren momenten dat je echt even tijd en aandacht voor een kindje had. Rond een uur of 9 was je daarmee klaar. Dan moest je het kamertje schoonmaken, met een stofzuiger en een boenmachine, zo ging dat. Om 10 uur gingen we koffie drinken. Om half 11 weer de flessen. Sommige kinderen kregen al een klein hapje warm eten. Dat was altijd bonenpuree met iets van groente en appelmoes. Dan weer verschonen en om half 1 waren we vrij, tot twee uur. Tijdens de pauze pasten de nonnen op de kinderen.
Ik kon in die anderhalf uur pauze gewoon naar huis, ik woonde om de hoek. Een aantal andere meisjes was intern, die sliepen ook in het huis, op de bovenverdieping, waar ook een paar nonnen hun slaapkamers hadden. Andere nonnen waar wij in ons werk eigenlijk niet mee te maken hadden, sliepen boven de refter.
Om 2 uur kwam je weer terug. Zuster Benedicta had dan de fruithapjes al gemaakt. Hele kleintjes kregen een beetje Roosvicee met liga. Het was fles of fruithapje geven, verschonen, en voor je het wist was het alweer 4-5 uur, tijd voor een volgende fles. Vanaf half 7 namen de afdelingszusters het weer over.
Als het mooi weer was, gingen op afdeling 1 alle baby’s het balkon op. Wij hadden voor elke baby een oude kinderwagen, bij mooi weer stonden ze de hele dag buiten. Op de dreumesgroep van 8 werkten ze met z’n tweeën en was er ook wel eens gelegenheid om met een paar kinderen te gaan wandelen.”
Henny: "Ik was 18-19 jaar en had in de nacht de verantwoordelijkheid voor 100 kinderen. Onverantwoord achteraf, maar je deed het gewoon."
De nachten
“Om de zoveel tijd had je ook nachtdienst, zeven dagen achter elkaar. Een nachtdienst begon om half 11 ‘s avonds. De Zusters hadden de flesjes al op het vuur gezet. Dan ging je eerst de twee babykamers aanleggen. Je legde een kindje op z’n zij, met een onderlegger, en dan konden ze zelf drinken. Je hield in de gaten of ze de fles niet loslieten. Dan ging je de flessen op afdeling 1 aanleggen.
Was je daar klaar, dan ging je even kijken in de slaapzalen met kleuters en met grote kinderen. Daar waren er altijd een paar die op de pot gezet moesten worden, die moest je wakker maken. Maar eigenlijk sliepen de grotere kinderen meestal wel door.
Dan weer terug naar de baby’s om te verschonen. Dat deed je in bed. De baby’s lagen in bedjes met rubber matjes. Ze mochten geen plastic aan want dat broeide te veel. Na het verschonen nam je de natte luiers mee naar de wasserij beneden. Daar spoelden we de poepluiers uit. De volgende ochtend zou een Zuster ze wassen. Pas later kregen we papieren luiers, wat een luxe was dat zeg!
Na het verschonen was het onderhand half 2. Als je baby’s had die spuugden, moest je opnieuw een flesje geven. Of als er een aan de diarree was, moest je ook nog rijstwater koken en geven. Een pasgeboren baby kreeg ook om half 3 nog een flesje. Om een uur of 4-5 moest je boterhammen smeren voor het ontbijt. Drie groepen van 12 kinderen, dat waren 36 bordjes met boterhammen. Je moet de flessen vullen en pap maken voor de volgende ochtend. De hele nacht was je in de weer, je ging maar door.
Om een uur of 6 werden de grote kinderen wakker. Als baby-juf moest ik ervoor te zorgen dat ze er geen keet van maakten. Ik ging dan bovenaan de trap zitten, zo kon ik de slaapzaal overzien. Omgekeerd vonden de leidsters van de grote kinderen het weer moeilijk om voor de baby’s te zorgen tijdens de nachtdiensten.
Ik was 18-19 jaar en had in de nacht de verantwoordelijkheid voor 100 kinderen. Onverantwoord achteraf, maar je deed het gewoon. Het was ook nog eens een groot gebouw en we hadden geen intercom. Als je naar beneden ging met die natte luiers, liet je de hele afdeling alleen. Stel dat je van de trap zou vallen…”
Dossiers en archieven
“Dossiers werden bijgehouden door de Zusters of het maatschappelijk werk. Wij moesten wel kinderen elke week wegen en dat in een map opschrijven. Een collega hield voor zichzelf een dagboekje bij, waarin ze opschreef wanneer er kindjes binnenkwamen en wat er gebeurde. Foto’s maken mocht niet, maar dat deden we stiekem wel. Later deden de Zusters het zelf ook. Maar je mocht er geen achternaam of geboortedatum bij schrijven. We schreven er wel een jaartal bij.”
Henny: "St. Anna was een kindertehuis, dus ik had niet te maken met ongehuwd zwangere vrouwen. Pas als een kindje er was begon mijn werk."
Wat was uw betrokkenheid bij afstand en adoptie?
“St. Anna was een kindertehuis, dus ik had niet te maken met ongehuwd zwangere vrouwen. Pas als een kindje er was begon mijn werk. Het is wel eens gebeurd dat een kindje dat ’s nachts geboren was, al de volgende ochtend bij ons kwam. Baby’s kwamen overal vandaan. Het was niet altijd makkelijk om een plek te vinden voor een kindje. Bij ons werd er ook wel eens een kinderwagen bij gezet, dan zorgde ik voor 7 kinderen.
Veel baby’s gingen naar adoptie- of pleeggezinnen, maar we hadden ook wel baby’s die bijvoorbeeld mishandeld waren. Bij de oudere kinderen ging het vaker om kinderen van wie de ouders uit de ouderlijke macht ontzet waren. Kinderen met een verhaal.
Hoelang kinderen bleven, hing ervan af. Als een pasgeboren baby afgestaan werd, mocht de moeder er drie maanden over nadenken. Als wij de vraag kregen of we een rapportje wilden maken van een baby, een observatie, dan wist je dat de moeder afstand had gedaan en dat er pleegouders of adoptieouders gezocht gingen worden. Soms gebeurde dat pas na veel meer dan 3 maanden, er waren kinderen die lang bleven. Waarom dat was, wist je niet.
Voor zo’n observatierapportje zag ik ook duidelijk verschillen: je had hele lieve baby’s, huilbaby’s, baby’s met pit of die heel wijs uit hun ogen keken. De een zag er intelligent uit, de ander was gewoner. Je was je wel bewust dat op basis van wat jij opschreef in zo’n rapportje, ouders werden gezocht. Er was ook een psycholoog verbonden aan het huis, ook hij observeerde de kinderen.
Er is een filmpje van iemand die als stagiaire in St. Anna heeft gewerkt, waarin zij vertelt dat pleegouders een baby mochten komen uitzoeken. Daar zijn we zó boos over geworden, dat was helemaal niet waar! Op basis van de observatierapportjes ging een maatschappelijk werkster van de Raad voor de Kinderbescherming kijken welke pleegouders of adoptieouders daarvoor in aanmerking zouden komen. Soms kwam ze samen met de directrice naar de afdeling om naar een baby te kijken. Zo ging dat. Maar niet dat je er eentje uit kon kiezen!!
Na verloop van tijd hoorde je dat er pleegouders of adoptieouders waren gevonden. Die kwamen een paar keer op bezoek om kennis te maken met de baby. Als de kinderen naar het adoptiegezin gingen, waren ze meestal zo’n 5 maanden oud. Ik trok hen de mooie kleertjes aan die de ouders hadden meegenomen. Met de ouders dronken we koffie en aten een gebakje. En dan liepen we allemaal mee naar de voordeur en werden ze uitgezwaaid. Zuster Antonella, de directrice, was daar ook altijd bij. Ik was blij voor een kind dat naar een gezin ging. Ik dacht niet zo na over afstand en adoptie, je nam gewoon aan dat het zo ging. Ik was vooral met de verzorging van de kinderen bezig.”
Hoe kijkt u terug op uw tijd bij St. Anna?
“Mijn hele leven ben ik met St. Anna bezig. Ik ging er naar school, ik werkte er en nu heb ik nog contact met oud-collega’s en kinderen van St. Anna. Als ik terugdenk aan de tijd dat ik er werkte, zijn dat vooral mooie herinneringen. Heel bijzonder was het grote feest in 1966, toen ik er nog maar net werkte. Zuster Antonella was 25 jaar non en we hadden een groot feest, drie dagen lang. Alle bijna 100 kinderen zijn toen uitbesteed bij gezinnen in Halfweg en Zwanenburg. Ook mijn moeder had er vier in huis. We hebben met heel wat bedjes lopen slepen. Of een keer dat er drie baby’s waren die Monique heetten, en Zuster Benedicta binnenkwam met een nieuwe baby en zei: raad eens hoe ze heet? Nóg een Monique! Ik heb er toen Monique, Moni, Monica en Moniekje van gemaakt.
Als ik in onze Facebookgroep iemand herken, stuur ik altijd een berichtje: dat ik benieuwd ben, en dat ik kan kijken of ik foto’s heb. Ik heb wel geleerd dat ik altijd moet vragen: ‘heette je toen ook zo?’ als ik een naam niet herken.”
Via het radioprogramma Adres onbekend zijn Henny en haar collega’s in 2024 actief op zoek gegaan naar de kinderen van toen. Benieuwd naar wat er van de kinderen geworden is, en om de foto’s die zij van de kinderen hebben, aan hen te geven. Voor de kinderen van St. Anna is hun verblijf in het kindertehuis een levensbepalende periode geweest. Dat is het ook voor Henny. Als zij door haar fotoalbums bladert, heeft ze nog bij elk kind een verhaal. Sommige van de kinderen is ze in de Facebookgroep weer tegengekomen of heeft ze ontmoet. Van een aantal weet ze dus wat er van hen geworden is: er zijn kinderen die het gemaakt hebben in het leven, kinderen die het moeilijk hebben (gehad) en kinderen die niets willen weten van hun eerst jaren.
* de namen van de Zusters zijn niet hun echte namen
Kijk voor meer informatie over de Facebookgroep en de foto’s van Henny en andere oud-medewerkers op de informatiepagina over Kindertehuis St. Anna
Over de verhalen van oud-medewerkers
Dit verhaal maakt deel uit van een reeks. Oud‑medewerkers van huizen en organisaties die betrokken waren bij binnenlandse afstand en adoptie, zijn geïnterviewd over hoe er in het verleden gewerkt werd.
De informatie uit deze verhalen is een aanvulling op wat er in dossiers en archieven te vinden is. Stichting Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder hebben meegedacht over de vragen die tijdens de interviews zijn gesteld.
Herinneringen aan het verleden zijn persoonlijk en het menselijk geheugen is niet altijd betrouwbaar. Ook worden herinneringen beïnvloed door hoe er nu naar gebeurtenissen van toen gekeken wordt. Daarom zijn deze verhalen geen volledige of neutrale weergave van hoe het was, maar geven ze inzicht in hoe een individuele medewerker op haar werk terugkijkt.
Overzichtspagina verhalen van oud-medewerkers binnenlandse afstand en adoptie