Juli 2026 

Anneke

Anneke (76) bedacht toen ze 13 jaar oud was dat ze geen moeder wilde worden maar directrice van een kindertehuis. Zo zou ze een heleboel kinderen hebben. Na drie gewone jaren huishoudschool koos ze voor het vak kinderverzorging. Als je dat afgerond had, stond dat zo’n beetje gelijk aan Kinderbescherming A. Vanuit haar opleiding liep ze ruim een half jaar stage bij St. Hubertus in Amsterdam. Later werkte ze enkele maanden in Huize de Hoeksteen in Hilversum. 

Bron foto: privécollectie Anneke

Stagiaire bij St. Hubertus (augustus 1967 – mei 1968) 

Anneke: “Ik was 15 toen ik startte met het eerste jaar kinderverzorging. Daarna heb ik een jaar gewerkt omdat ik voor een stage moest wachten tot ik 17 was. Vanuit school was geregeld dat ik stage ging lopen bij St. Hubertus. In augustus 1967 ben ik daar begonnen, één dag in de week, de andere dagen ging ik naar school.  

St. Hubertus was een huis voor ongehuwde moeders en hun kinderen, een wereld waar ik geen idee van had. Ik wist wel dat een vrouw alleen een kindje kon krijgen: een kennis had een keer verteld dat zij toen ze zestien was, alleen een kind had gekregen, op zolder. Het kindje was dood geboren en zij had het in een krant gewikkeld en in een vuilnisbak gestopt. Hoe ze aan dat kindje was gekomen, daar sprak ze niet over. Dit verhaal heeft me altijd bezig gehouden: hoe alleen ze was, hoe vreselijk dat geweest moet zijn.” 

Kunt u het huis beschrijven? 

“Het huis lag aan de Plantage Middenlaan, vlakbij Artis. Ik woonde in de buurt en kon er lopend naar toe. Je kwam binnen en dan had je boven een grote kamer en beneden het souterrain. In het souterrain stonden de bedjes: bruine houten ledikantjes met spijltjes, twee rijen in een L-vorm. De ruimte was in twee compartimenten verdeeld die gescheiden werden door een glazen wand met een deur. Ik weet niet meer waar de badjes waren. Hoe het huis er verder uitzag, weet ik ook niet, ik kwam nooit verder dan die grote kamer en de kamer beneden om een kindje te halen. 

Sommige bedjes waren gemerkt: in die bedjes lagen kindjes die een moeder hadden. Die kindjes mocht je niet pakken, dat deden de moeders zelf. Die moeders woonden ook in St. Hubertus en kwamen naar beneden om hun kindje te wassen, aan te kleden en te voeden. Overdag werden hun kindjes door ons verzorgd. De moeders werkten of werden begeleid naar werk. Dat was belangrijk, de moeders moesten werken om zelfstandig met hun kind te kunnen leven. ’s Avonds legde zo’n moeder zelf haar kindje weer in bed.  

De andere kindjes hadden geen moeder, maar daar werd niet over gepraat. Ik heb niet geregistreerd of dat ook afstandskindjes waren. Ik wist niks van afstand doen of adoptie. Dan let je er ook niet op en heb je het er niet over. Ik denk dat ze dat soort dingen ook niet met stagiaires deelden. Ik was vooral bang dat ik een verkeerd kindje zou pakken. Dat was echt heel erg als je dat per ongeluk deed.”  

Anneke: Het maakte niet uit wie je pakte, de kindjes hadden geen vaste verzorgster. 

Een vriendelijk huis 

“Er was een non in St. Hubertus, vrij breed en altijd in het wit. Dan zat ze met zo’n kindje en zei: ‘geef me nog eens een kindje, dan kan ik er twee tegelijk aandacht geven’. Dat vond ik zo lief. Ze was heel aardig, ook voor mij. Het hele huis had een vriendelijkheid.  

Er was een moeder die al voor de geboorte van haar kind kwam, een moeder met dwerggroei. Iedereen was bij haar betrokken. Het hield mij ook bezig: is het wel fijn om zo klein te zijn, en hoe zat dat? Toen ook haar kindje klein bleek, waren we allemaal opgelucht: zo zou ze haar kindje goed zelf kunnen verzorgen. Dat was belangrijk. De bovenkant van een kinderwagen werd op een onderstelletje gezet, zodat deze moeder zelf haar kindje uit bed kon pakken. Ik vond dat mooi, zoveel zorg.” 

Glibberkindjes 

“Omdat ik 17 jaar was, en nog leerplichtig, had ik niet met verschillende diensten te maken. Ik maakte gewoon 8-urige werkdagen. Eerst ging ik naar boven. Dan zeiden ze: ‘pak maar een kindje, maar niet een kindje met een moeder’. Het maakte niet uit wie je pakte, de kindjes hadden geen vaste verzorgster. Behalve de non, die had wel een vast kindje. Wie je pakte? Misschien het kindje dat het hardst huilde, ik denk dat het zo ging. En dan ging je het kindje waarschijnlijk badderen en kleertjes aantrekken. Ik herinner me wel die glibberkindjes, zo klein en zo glad. Maar waar de luiers bleven, waar de flesjes of de hapjes vandaan kwamen? Ik heb er geen plaatje meer van, geen idee. 

Ik weet nog heel goed dat er een keer een kindje was dat ging huilen als ik aan haar armpje kwam. Ik deed dat nog een keer, en weer huilen. Dat was raar, ik heb dat gezegd. Na een bezoek aan de dokter bleek dat het ene armpje dunner was dan het andere. Waarschijnlijk bewoog ze het zere armpje te weinig. Het goede armpje werd toen vastgezet zodat ze het andere armpje moest gebruiken. Ik was er trots op dat ik dit gezien had. Ik werd ook goed op de hoogte gehouden van hoe het armpje herstelde. Ik voelde me erbij betrokken, dat was heel fijn.” 

Een moeder op het dak 

“Ik herinner me ook een nare gebeurtenis. Er was een donkere moeder, een hele mooie vrouw met sluik, zwart haar. Zij had twee jongetjes, een tweeling. Mooie zwarte kindjes, die zag je toen nog niet veel. Eén van die kindjes is overleden. Een tijdje daarna heeft zij met het andere kindje op het dak gestaan van het tehuis. Een drama, met brandweer en politie. Ik was er gelukkig niet bij en ik weet niet hoe het afgelopen is, maar het heeft diepe indruk gemaakt. Waarom en waaraan dat jongetje is overleden, en wat er daarna precies gebeurd is, weet ik niet. Ik was wel heel erg benieuwd maar er werd niet over gepraat, en je wist dat je er ook niet over moest beginnen.” 

In het ‘Praktijkboekje voor de opleiding’ dat Anneke laat zien, zijn aan het eind van haar stage bij St. Hubertus, in mei 1968, alle onderdelen voor ‘Verzorging van zuigelingen’ afgetekend: wieg klaarmaken, klaarzetten voor badje, zelfstandig baden, nageltjes knippen, afdrogen en aankleden, babywas verzorgen, voeding klaarmaken, voeding geven, wegen en temperatuur opnemen. De tijd bij Hubertus was een fijne ervaring voor Anneke.  

Naast deze stage was ze ook vier dagen per week naar school geweest. In de lessen kinderverzorging ging het naast dr. Spock ook over het belang van licht, lucht en liefde. De huishoudschool werd nog wel eens afgedaan als waardeloos, maar voor deze les was Anneke heel dankbaar. In het laatste jaar van haar opleiding werkte zij in Huize Henriëtte, een Joodse kindercrèche. Daarna kreeg zij haar diploma en kon ze aan het werk. In deze periode was Anneke onbedoeld ook bij de bevalling van haar zus, en zag ze hoeveel pijn een bevalling deed. Het was heel moeilijk en zwaar. Deze ervaring nam ze mee naar De Hoeksteen.

Anneke: Het was niet de bedoeling dat ik vriendschappelijk met hen omging. Dat was niet alleen ten strengste verboden, ze benadrukte ook het verschil tussen hen en mij: zíj hadden vervelende dingen gedaan en waren voor hun huwelijk zwanger geraakt, ík was een meisje dat dat niet had gedaan en ook niet zou doen.

Babyverzorgster in Huize De Hoeksteen (ca. juni – oktober 1969)  

“Ik was klaar met mijn laatste stage in de crèche en moest op zoek naar een echte baan. Hoe ik bij De Hoeksteen kwam, weet ik niet meer. Misschien is vanuit school gezegd dat ze daar mensen zochten. Ik wist niet wat De Hoeksteen voor huis was. Ik had natuurlijk bij St. Hubertus in Amsterdam stage gelopen, maar hier was het totaal anders.” 

Goede meisjes en slechte meisjes 

“Omdat ik in Amsterdam woonde en niet meteen een kamer in Hilversum had, mocht ik de eerste weken in De Hoeksteen slapen. In een kamer op de zolder waar ook de aanstaande moeders woonden. Het was gezellig op de gang, maar het werd heel ingewikkeld: van de directrice* kreeg ik op m’n donder. Het was niet de bedoeling dat ik vriendschappelijk met hen omging. Dat was niet alleen ten strengste verboden, ze benadrukte ook het verschil tussen hen en mij: zíj hadden vervelende dingen gedaan en waren voor hun huwelijk zwanger geraakt, ík was een meisje dat dat niet had gedaan en ook niet zou doen. Dat was een groot verschil. Wat zij bedoelde was: zij waren slecht en ik was goed. Dat vond ik heel erg. Het waren gewoon meisjes om mee te praten, ik snapte niet dat dat niet mocht. Na die eerste weken ben ik bij een hospita op kamers gaan wonen.” 

Anneke: Na twee dagen in De Hoeksteen dacht ik al: waar ben ik beland? Hoe bestaat dit? Ik kende rust, reinheid en regelmaat, maar hier was het vooral reinheid en regelmaat.

Kunt u het huis beschrijven? 

“Ik werkte beneden, op een zaaltje met ongeveer 12 baby’s denk ik, precies weet ik dat niet meer. Kinderen kwamen zes dagen na de geboorte. De kinderen lagen op een rij, op leeftijd: jongste lag het dichtst bij de deur, en dan schoof het zo op. Boven lagen kindjes die zich al om konden rollen. Daar stonden ledikantjes en een box waar kinderen samen in lagen. Ik hoorde dat kinderen in De Hoeksteen bleven tot ze gingen kruipen. Daarna gingen ze naar een ander huis waar ze bleven tot ze konden lopen. Daarna weer naar een ander huis tot ze vier waren, en zo steeds verder. Ik vond dat zó erg, van al die huizen. 

De directrice was altijd beneden. De verzorgster van de oudere baby’s had boven de leiding. Zij was een vrouw met zwart kort haar, van een jaar of 30-40, en iemand die echt van de kinderen hield. Met haar kon ik praten. Zij is degene die mij veel heeft verteld.”  

Boos 

“Na twee dagen in De Hoeksteen dacht ik al: waar ben ik beland? Hoe bestaat dit? Ik kende rust, reinheid en regelmaat, maar hier was het vooral reinheid en regelmaat. En op de huishoudschool had ik geleerd: licht, lucht en liefde, hoe belangrijk dat was. Ik dacht alleen maar: wat gebeurt hier? Ook overdag kregen de kinderen het flesje op een kussen. Alleen kindjes die heel slecht dronken mocht je op schoot nemen, omdat je die steeds in hun wangen moest knijpen: het moest opschieten want er moest gepoetst worden, het moest schoon.  

Als een kindje huilde, moest je het laten huilen. Huilen was aandacht vragen. Een keer huilde een kindje zó afschuwelijk, ik voelde dat er iets was. Twee keer vroeg ik de directrice of ik haar uit bed mocht halen, maar zij was onverbiddelijk. De derde keer heb ik haar gewoon gepakt. Er bleek een speld door het huidje heen geprikt te zijn. Ik was zó kwaad. Je hóórt aan een kind of het ernstig is. Die directrice hoorde dat blijkbaar niet, of ze was zó vast in de regels. Ongelooflijk, ik ben daar heel snel boos geworden.  

Achter de babykamer was een klein kamertje, met een glazen wand ertussen. In dat kamertje stond een couveuse. Tegen het eind van mijn tijd bij De Hoeksteen lag er een heel klein jongetje in, waar het niet goed mee ging. Hij was in de couveuse gelegd om meer rust te krijgen. Hij kreeg alleen een flesje, en verder niks. Ik dacht alleen maar: dat kind heeft aandacht nodig, dat moet op schoot gewiegd worden, gekoesterd worden. Hij was zo alleen, zo eenzaam, ik zag hem doodgaan. Ze lieten hem gewoon doodgaan! Zo schokkend.”   

De herinnering aan dit jongetje emotioneert Anneke nog steeds. Zij weet niet of hij het overleefd heeft, toen was zij al weg bij De Hoeksteen.  

Koffiekamer en spreekkamer 

“Er was een koffiekamer waar we als personeel koffie dronken met elkaar. Moeders waren daar niet bij. In de koffiekamer werd ook gerookt. Het enige moment dat je wel een kindje op schoot kon hebben, was in de koffiepauze. Ik heb één of twee keer een kindje meegenomen naar de koffiekamer, maar dat werd me niet in dank afgenomen want dan mocht er niemand roken. 

Naast de koffiekamer was de spreekkamer. Je zag daar meisjes en vrouwen naar binnen gaan met de directrice, en dan wist je dat er weer zo’n gesprek was. Van de verzorgster boven had ik gehoord hoe het dan ging, met die afstandsmeisjes en -moeders. Er werd gezegd: je moet je kindje afstaan, je hebt geen enkele kans, je wordt met de nek aangekeken, …  Ik weet dat er een vrouw was, wat ouder dan ik, die haar kindje niet wilde afstaan. Dat was echt een heel gedoe, ik leefde met haar mee. Er waren gesprekken met de directrice en haar ouders, met de dominee of weet ik veel, in vol ornaat, met een psychiater of psycholoog. Ik weet niet hoe het afgelopen is. 

De verzorgster boven had me ook verteld dat de moeders hun kind niet mochten zien na de geboorte. Ik stelde me voor dat iemand na de bevalling dan de kamer uit loopt met een huilende baby, en langzaam de gang op gaat, en dat je dat kindje nog lang hoort huilen. Zo zag ik dat voor me, zó droevig. Maar ik wist eigenlijk niet veel van de moeders. Na de bevalling kwamen ze niet meer terug.” 

Uitgekozen worden 

“De periode dat ik er was, was het laatste jaar dat adoptieouders een kindje uit mochten zoeken, hoorde ik van de verzorgster boven. Het was heel belangrijk dat een kindje blond haar had, en dat het op de adoptieouders leek. Dan hoefden zij het kind niet te vertellen dat het geadopteerd was. Lichtgetinte kindertjes werden sowieso niet uitgekozen en een kindje met rood haar ook niet. Er was ook een doof meisje, van 4-5 maanden oud. Ze lag op het zaaltje boven. De verzorgster hield van haar en wilde zo graag dat zij geadopteerd zou worden, zij had het zo hard nodig. Maar zij werd niet gekozen. Eén keer heb ik gezien dat er adoptieouders kwamen, ik herinner me vooral een hele lange man. Als een kindje opgehaald werd, kreeg het mooie kleertjes aan, en werd het wiegje even in de koffiekamer gezet. Kinderen kregen een klein fotoboekje mee.”  

De vroege dienst en de nachtdienst 

“Ik had alle diensten, maar wanneer die precies begonnen of afliepen, die herinnering is een beetje vaag. De vroege dienst begon om vijf uur, met de tweede nachtvoeding, dat weet ik wel. Ik was een hele slechte slaapster, en was bang om me te verslapen. Daardoor viel ik pas heel laat in slaap. Twee keer heb ik me ook echt verslapen en werd de nachtdienst dus niet door mij afgelost maar door de directrice. Zij ging er zitten, maar gaf de kinderen niet te eten. De kinderen hadden zo een voeding gemist, en het moest erin geslagen worden dat dat mijn schuld was. Als een soort therapie dat ik me nooit meer zou verslapen. Ik heb me dat heel erg aangetrokken.  

In de nachtdienst was je heel druk: al die kindjes op een rijtje, al die flessen op een kussentje, en in de gaten houden dat ze niet stikten. Je moest ook de poepluiers wassen. Die stonden in een hok naast het keukentje. Ze waren wel uitgeschud, maar dan moest je ze schoon krijgen. Een andere taak was babykleertjes strijken, en luiers. Dat moest ook in de nachtdienst.”

Anneke: Die directrice heeft mij schuldig gemaakt, dit is mijn grote trauma.

Schuldgevoel en trauma 

“Op een nacht kwam er een meisje naar beneden. Een meisje van dertien, met veel pijn. Ze was een beetje in paniek. Ik heb de directrice wakker gebeld, en gezegd dat ze moest komen. Ze kwam, met een wekker. En zoals ik het me herinner moest ik dat meisje met die wekker weer naar boven sturen: als de weeën om de vijf minuten kwamen, dan pas mocht ze weer naar beneden komen. Ik vond dat zó verschrikkelijk, maar ik kon niks. Ik kreeg die opdracht, en ik moest voor de baby’s zorgen. Ik ben dit nooit vergeten: dan ben je al thuis weggestuurd, je bent dertien, zo jong nog, misschien was er wel sprake van incest. En dan ben je alleen met je gruwelijke pijn. Ik vond het zo hartverscheurend. Die directrice heeft mij schuldig gemaakt, dit is mijn grote trauma. Ik weet niet hoe het met dit meisje is afgelopen. Ik hoop dat ze boven andere moeders wakker heeft gemaakt, dat ze niet alleen is geweest. In mijn nachtdienst is ze niet meer naar beneden gekomen. Mijn hele leven heb ik deze gebeurtenis met me meegedragen, ik ben me er altijd schuldig over blijven voelen.” 

Ontslag 

“Ik was een meisje van de huishoudschool, plat Amsterdams. Ik was anders dan Hilversumse dames, al weet ik eigenlijk niet of andere verzorgsters ook echt uit Hilversum kwamen. Ik kan me niemand meer herinneren, behalve de directrice. Zij was hoekig, streng en groot voor mijn gevoel, er zat geen liefde in. En de lieve vrouw die boven werkte. Met andere verzorgsters heb ik eigenlijk geen contact opgebouwd in tijd dat ik er werkte. Ik was 19, voelde me er eenzaam en vond het heel moeilijk.  

Na een maand of vijf ben ik ontslagen, omdat ik brutaal was naar de directrice. Ook het verslapen zal meegespeeld hebben. Mijn ontslag voelde als een bevrijding. En ook een mislukking omdat mijn toekomst in de kinderverzorging lag: ik zou directrice worden van een kindertehuis. Het was heel ingrijpend. Ik heb heel veel schuldgevoel overgehouden aan mijn tijd in De Hoeksteen. Ik heb zoveel gehuild, om dat meisje van dertien en dat jongetje in de couveuse, dat ik daaraan heb meegewerkt…”  

Vanuit frustratie is Anneke gestopt in de kinderopvang en is zij gaan werken in een grote instelling voor verstandelijk gehandicapten. Uiteindelijk heeft zij de zorg verlaten, en nog vele jaren in een museum gewerkt. Haar baan in De Hoeksteen beschouwt ze als de slechtste baan uit haar werkzame leven. 

Het excuus van de overheid aan afstandsmoeders en hun kinderen van begin juli 2026, heeft Anneke diep geraakt. Er kwam veel omhoog, boosheid vooral, dat ze er nu pas mee komen, nu de moeders al oud zijn. Zij hoopt vooral dat de moeders en kinderen uit De Hoeksteen het gered hebben, en dat er contact tussen moeder en kind mogelijk is. En ze hoopt dat het dertienjarige meisje van toen dit leest, dat ze weet dat er een getuige is geweest. Dat gezien is hoe erg dit voor haar was. 

*in de beleving van Anneke had een non de leiding in De Hoeksteen. In De Hoeksteen waren echter geen religieuzen werkzaam. Daarom is ervoor gekozen om in deze tekst in plaats van over ‘non’ te spreken over ‘directrice’.  

Kijk voor meer informatie op de pagina’s van St. Hubertusvereniging en Huize De Hoeksteen.

Over de verhalen van oud-medewerkers 

Dit verhaal maakt deel uit van een reeks. Oudmedewerkers van huizen en organisaties die betrokken waren bij binnenlandse afstand en adoptie, zijn geïnterviewd over hoe er in het verleden gewerkt werd.  

De informatie uit deze verhalen is een aanvulling op wat er in dossiers en archieven te vinden is. Stichting Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder hebben meegedacht over de vragen die tijdens de interviews zijn gesteld. 

Herinneringen aan het verleden zijn persoonlijk en het menselijk geheugen is niet altijd betrouwbaar. Ook worden herinneringen beïnvloed door hoe er nu naar gebeurtenissen van toen gekeken wordt. Daarom zijn deze verhalen geen volledige of neutrale weergave van hoe het was, maar geven ze inzicht in hoe een individuele medewerker op haar werk terugkijkt.  

Overzichtspagina verhalen van oud-medewerkers binnenlandse afstand en adoptie