Wat was ik blij toen ik hoorde dat Marjan naar mij op zoek was. Medewerkers van ISS (International Social Services, red.) hadden mij gevonden en me benaderd met de vraag of ik haar wilde zien. “Ja! Graag”. Al was dat niet eenvoudig. Mijn man was er niet blij mee. Gelukkig wist hij wel van haar bestaan. Ook het dorpshoofd schrok nogal. 

Hij had destijds toestemming gegeven voor de adoptie en was betrokken geweest bij de formaliteiten rond de afstand. Hij was bang dat hij iets fout had gedaan en dat hij nu in de problemen zou komen. Daar was geen sprake van. De medewerkers van ISS hadden mij gevonden aan de hand van de papieren van het kindertehuis in Bogor waar Marjan door haar adoptieouders is opgehaald. Er zat ook een babyfoto bij van mijn dochter en de geboorteakte.

Onze eerste ontmoeting vond plaats in het kantoor van ISS in Jakarta. Familieleden en vrienden waren met mij meegegaan om mij bij te staan. Ik was heel emotioneel, heel verdrietig. Marjan reageerde wat terughoudend. Dat is nu al weer ruim acht jaar geleden.

Ik had al een zoon toen ik zwanger werd van Marjan. De vader van mijn zoon was op dat moment al een lange tijd van huis. In die periode leerde ik een andere man kennen. Van hem raakte ik in verwachting. Deze man verdween vervolgens ook uit beeld. Toen kwam de vader van mijn oudste plotseling weer terug. Deze man zat niet te wachten op een kind van een ander. Om de problemen niet groter te maken heeft het dorpshoofd mij toen, bij wijze van uitzondering, toestemming gegeven om mijn dochter af te staan ter adoptie. Daardoor zou ik verder kunnen met mijn eerste man, de vader van mijn zoon. Zo is het ook gegaan. Met hem heb ik daarna nog vijf kinderen gekregen. Eerder dit jaar is hij overleden.

Hadija: We leven van dag tot dag.

Mijn leven was niet altijd gemakkelijk. Ik kan niet lezen en schrijven, ik heb geen papieren van mezelf, geen legitimatiebewijs, niks. Daarom weet ik ook niet precies wanneer ik ben geboren ofwel hoe oud ik precies ben. We, mijn kinderen en ik, we hebben veel armoede gekend. Ons huis heeft geen stromend water, geen gas en geen licht. Ik heb geen eigen land om groente te verbouwen of vee op te houden. Als het kan, werk ik op de rijstvelden. Soms kook ik maaltijden of gerechten en die verkoop ik dan op de markt. Als er geen werk is en ik heb niets, dan krijg ik te eten van dorpsgenoten. We leven van dag tot dag. We helpen elkaar, wij zijn een grote familie. Twee dochters wonen niet meer op deze kampung, de rest van mijn kinderen woont hier wel.

Marjan helpt ons wel een beetje. Als ze hier is, koopt ze spullen voor ons. Rijst, groente, vlees, zeep, dat soort dingen, de eerste levensbehoeften.

Meestal spreken we ergens af op een neutrale plek, in een hotel of zo. Daar voel ik me erg ongemakkelijk. Ik ben niet gewend om met bestek te eten en dat soort dingen. Marjan, haar man en kinderen zijn wel eens op de kampung geweest. Maar dat vond Marjan nogal heftig voor de kinderen. Ik hoop wel dat ze nog een keer komt en dan wat langer blijft. Ik vind het heerlijk om haar in de buurt te hebben maar het is lastig om goed contact te hebben. We kunnen elkaar niet verstaan. Dat is wel jammer.

 

Dit artikel is tot stand gekomen op basis van antwoorden op vragen die Marjan aan haar moeder heeft gesteld.

Meer ervaringsverhalen

Wil jij jouw verhaal (anoniem) met anderen delen?

Stuur jouw verhaal in