Juni 2026
Joke (82) startte in de verpleging. Twee jaar lang deed zij op verschillende afdelingen in het Juliana ziekenhuis in Amsterdam ervaring op. Door pech met haar examen, stopte ze in het ziekenhuis en maakte de overstap naar Kraamzorg, bij het Oranje Groene Kruis in Amsterdam. Ze deed de opleiding en ging werken: ze assisteerde de arts of verloskundige bij de bevalling, en bleef dan nog tien dagen kramen in het gezin met de pasgeboren baby. Heel interessant werk, maar ook vermoeiend en onrustig.
Bron foto: privécollectie Joke
Hoe bent u bij Beth Palet terecht gekomen?
Joke: “Na drie jaar in de kraamzorg wilde ik graag iets met dagdiensten. In Het Ooievaartje, het vakblad voor kraamverzorgenden, las ik dat er voor Beth Palet een gediplomeerd kraamverzorgster gezocht werd. Dat leek me wel wat om daar met die baby’s te gaan werken. Ik ben me er even in gaan verdiepen en had wel door wat voor soort huis het was. Dat werd me met de sollicitatie ook goed uitgelegd. Ik werd direct aangenomen. Het was een baan met dagdiensten, dat vond ik heel fijn. Ik had er zin in: ‘werk me maar in’, zei ik, ‘ik moet meelopen, en vertel me alles’. Ik zat er al heel gauw in.
Ik was 22 jaar toen ik in Beth Palet kwam. Daar hoorde ook bij het volgen van de opleiding Kinderbescherming. Dat heb ik gedaan, en mijn diploma gehaald. Ik heb op allerlei plekken stage gelopen, ook als vrijwilligster bij de meisjesclub van de Waalkerk. Dat deed ik naast mijn werk, één keer per week. Daar leerde ik mijn man kennen.”
Kunt u het huis beschrijven?
“Beth Palet zat in een oud pand op de Prinsengracht. Niemand wist dat het een tehuis voor ongehuwde moeders was, het stond er in stilte, verborgen. Via de trap kwam je binnen bij het kantoortje van de directrice. Daaronder was een kelder waar kinderwagens stonden die we van mensen hadden gekregen. Daarmee gingen we op een zondagmiddag, als het rustig was, soms een stukje lopen in het Vondelpark.
Op de eerste verdieping waren de zaaltjes van de peuters en daarachter die van de baby’s. Op de verdieping daarboven sliepen de moeders en een paar personeelsleden. Beth Palet was niet zo groot, er was plek voor vijf moeders. De mensen die in Beth Palet werkten, kwamen overal vandaan. Een aantal kwam van Texel, zij waren intern. Ik niet, ik had een kamer in de Helmerstraat. Er was ook een binnenplaats met achterin een gebouwtje waar de peutertjes overdag konden spelen.
In mijn begintijd was het huis verveloos en armoedig. De directrice heeft toen de kinderpostzegels om een bijdrage gevraagd, en die gekregen. Van dat geld is het huis opgeknapt en hebben we wiegjes, dekentjes en kleertjes kunnen kopen. Mijn man zat in die tijd in de textiel, hij had een winkel. Hij mocht toen de dekentjes en lakentjes leveren, die hebben we samen uitgezocht.
Vlak naast Beth Palet had je het Prinsengracht ziekenhuis, maar voor bevallingen gingen de meisjes naar het Wilhelmina Gasthuis. Daar gingen ze met de tram heen, of lopend. Je kon het makkelijk lopen. Ik liep wel eens mee als er weer iemand moest bevallen.”
Joke: "Als verzorgsters maakten we aantekeningen van de ontwikkeling van alle baby’s: een eerste lachje, omrollen, hoe ze reageerden. Die rapportjes gaf ik aan de maatschappelijk werkster, een fijn mens met wie ik een goed contact had."
Hoofd van de zuigelingen
“Ik was hoofd van de zuigelingenafdeling. Eerst had ik vijf baby’s onder mijn hoede, later kwamen er in een ander kamertje nog drie bij. Acht in totaal dus. In het zaaltje met de peuters ernaast, was ook net een nieuw iemand aangenomen. Ook iemand die in de kraamzorg gewerkt had, net als ik. Op de zuigelingenafdeling werkten we met z’n tweeën. Bij de peuters werkten er drie.
Als hoofd van de zuigelingen zorgde ik ook voor de voedingen. Als er kindjes met diarree waren, of kindjes die spuugden, overlegde ik met de directrice of de arts over ander voeding. De directrice was een hele goede verpleegster, ze had hele goede tips.
Er was ook een maatschappelijk werkster aan Beth Palet verbonden. Eén of twee dagen per week was zij op kantoor aan het werk. Die dagen nam ze haar kind mee, en zette hem bij mij op de babyzaal. Er was ook een dominee die af en toe langs kwam voor moeders die een gesprekje wilden, maar er werd niets opgedrongen van de kerk.
Een bijzonder iemand was tante Betje. Iedere zondag zat tante Betje in de huiskamer slabbers te breien, van katoen. Altijd blij. Ze was een heel oud vrouwtje dat op de Amstelhof woonde, een bejaardenhuis. Zij was van jongs af aan zelf opgegroeid in Beth Palet, en had er later in de huishouding gewerkt. Wie werkte was verplicht om met tante Betje mee te lopen naar de Amstelhof.”
Hoe zag een dag eruit?
“Ik begon ’s morgens rond zeven uur, half acht. Kindertjes in bad doen, eten geven. Kindjes die al wat ouder waren, mochten een ligaatje met een beetje fruit. Zuigelingen kregen de fles en er waren moeders die de borst gaven. Dat waren de moeders die hun kind hielden, zij kwamen bij mij op het zaaltje voeden. Ik had een goed contact met hen en we hadden leuke gesprekken. Over moeders die afstand hadden gedaan van hun kind, spraken we eigenlijk niet. We accepteerden dat dat zo was.
Dan kwam al gauw het warme hapje voor wie een tandje had en een beetje kon eten. In de middag gingen ze allemaal weer slapen, ze sliepen veel natuurlijk. Mijn werkdag liep tot eind van de middag, tot een uur of zes. Elke dag had ik dezelfde dienst. Voor de nacht was er een nachtzuster. Dat was een verzorgster die intern was, en daar dus toch al ’s nachts was. Als zij er een keer niet was, bleef ik wel eens een nacht slapen. Het was zij of ik, en als zij er niet was, mocht ik op haar kamer slapen.”
Moedertje spelen
“De kinderen werden één keer in de week door een arts gezien. Als verzorgsters maakten we aantekeningen van de ontwikkeling van alle baby’s: een eerste lachje, omrollen, hoe ze reageerden. Die rapportjes gaf ik aan de maatschappelijk werkster, een fijn mens met wie ik een goed contact had.
Ieder personeelslid mocht een beetje moedertje spelen over een bepaald kind. Die gaven dan een pop of een ander mooi ding. En aandacht. Dan kwamen collega’s even langs om te kijken hoe het met ‘hun’ kindje ging. Voor mij waren álle zuigelingen van mij. Maar ik had wel een lievelingetje: een baby met grote ogen. Het was het kindje van een meisje van vijftien, die zwanger was geraakt van haar broer van zeventien. Eigenlijk mochten wij daar niets van weten, maar af en toe ving ik wel eens iets op. Later is dat kindje geadopteerd en ging het naar een adres in Friesland. Verder weet ik daar niets van.”
Joke: "Moeders die hun kind afstonden, hadden drie maanden de tijd om na te denken of ze hun kind toch niet wilden houden. Bij één van de kindjes duurde het wel zeven maanden, die moeder kon maar niet beslissen."
Drie maanden bedenktijd
“Ongeveer de helft van de moeders hield hun kind. Ik had in mijn zaaltje vaak baby’tjes die afgestaan werden. Moeders die hun kind afstonden, hadden drie maanden de tijd om na te denken of ze hun kind toch niet wilden houden. Bij één van de kindjes duurde het wel zeven maanden, die moeder kon maar niet beslissen. Het was een mager, klein kindje, met grote donkere oogjes. Na vele maanden is zij toch geadopteerd.
Een andere baby wilde nooit lachen. Hij was door zijn moeder afgestaan, maar in de drie maanden bedenktijd kwam ze op haar besluit terug. Ze zei: ik kon wel kruipen naar Beth Palet om m’n kind terug te halen. En toen kon hij ineens wel lachen. Zo bijzonder. Ik heb meer moeders gezien die op hun besluit om afstand te doen terugkwamen. Het is me vooral bijgebleven hoe blij ze dan waren.
Als een moeder bij haar besluit bleef, dan werd een kind geadopteerd. Dat kon heel snel gaan, soms was het kind een maand later al weg. De maatschappelijk werkster kwam dan vertellen dat er adoptieouders gevonden waren. Ik moest het baby’tje aankleden, en zij nam het mee naar beneden, naar de nieuwe ouders, en gaf het daar af. Ik mocht niks zien en niks weten. Dat vond ik heel pijnlijk, maar zo ging dat. Wij mochten ook geen contact meer hebben met kinderen die geadopteerd waren.
Adoptieouders zag ik eigenlijk niet. Een enkele keer kwam een adoptiemoeder kennismaken en het kind in bad doen, of een hapje eten geven. Om te wennen aan het kind. Maar dat was niet standaard. Meestal gingen kinderen radicaal mee en zag ik ze niet meer terug. Kinderen kregen wel altijd een schriftje mee met foto’s en aantekeningen uit de tijd dat het bij ons was geweest.”
Begeleiding van de moeders
“De zwangere meisjes konden twee, drie maanden voor de bevalling komen. Ze kregen dan boven een kamertje, en moesten in het huis werken: trappen schoonmaken, of in de keuken helpen. Het was niet zo’n groot huis, dus tussen de middag zaten we met elkaar aan de eettafel voor een warme maaltijd. Allemaal door elkaar: personeel, zwangere vrouwen, moeders. Iedereen kende elkaar.
Ik had niet het idee dat er druk op de vrouwen werd uitgeoefend om hun kind af te staan. Ze mochten echt zelf de beslissing nemen, maar het moest ook mogelijk zijn. De maatschappelijk werkster was een goed mens die heel verstandig praatte met de meisjes: ‘wat wil je zelf? Kun je het aan?’. Maar er waren wel eens ouders die heel moeilijk deden, die hun dochter onder druk zetten.
Vrouwen die hun kind hielden, werden na de bevalling al snel verder geholpen door de maatschappelijk werkster. Zij begeleidde hen bij het zoeken naar werk en om een plek te vinden om te wonen. Het kind mocht voor de verzorging bij ons blijven. ’s Avonds en in het weekend was het kind bij de moeder. Op deze manier konden kinderen tot ongeveer zes jaar in Beth Palet blijven.
Eén van de ongehuwde moeders heeft drie kinderen gekregen. Dan kwam ze weer, weer zwanger… We vroegen ons wel af hoe het mogelijk was dat ze toch wéér zwanger werd. Maar ze hield ze allemaal.”
Een bevalling
“In Beth Palet heb ik ook een bevalling gedaan, in m’n eentje. Het was tussen de middag en de directrice was er een uurtje tussenuit. Een meisje uit de keuken kwam me halen omdat één van de meisjes zo raar deed. Ik ben gaan kijken en zag meteen dat ze aan het bevallen was. Omdat ik vaak geassisteerd had, wist ik wat ik moest doen. Ik zei: pers maar, even rusten, persen, even rusten… Ik deed alles zoals ik het moest doen. Er kwam al een zwart hoofdje, uit een wit meisje, dat was zo gek. Het kind was van een zwarte man. Na de baby kwam ook de nageboorte eruit.
De eerste vraag die de directrice mij bij terugkomst stelde, was of ik mijn handen wel had gewassen. Daar had ik helemaal geen tijd voor gehad, ik had meteen moeten helpen. Het kindje is naar het ziekenhuis gebracht voor controle, maar alles was goed. Deze moeder hield haar kindje, ze is later samen met haar kind op mijn huwelijk geweest.”
Een kind mee naar huis
“Met Kerst werd het huis gesloten. Dat was een idee van de directrice. Het werd zo georganiseerd dat iedere verzorgster een baby mee naar huis kon nemen. De bakken van de kinderwagens gingen mee als bedje, met een matrasje en een dekentje. Ook ik heb twee keer een kindje mee naar huis genomen, naar Duivendrecht, waar mijn ouders woonden. Vriendinnen vonden dat leuk, die kwamen dan langs om een flesje te geven.
In de zomer was er een huisje in Muiderberg waar een groepje kinderen met een paar verzorgsters heen ging. Als je daar als verzorgster geen trek in had, kon je vertrekken. Dat was een onaangename kant van de directrice: mensen die tegen haar wil in gingen, ontsloeg ze direct. Dan zat ik soms ineens in nood, want dan had ik geen hulpje meer, en moest ik dubbel zo hard werken. Gelukkig waardeerde ze mij heel erg en mocht ik altijd blijven.”
Joke: "Ruim twintig jaar geleden stuitte ik bij toeval op een oproep in de Libelle: een vrouw die als kind in Beth Palet had verbleven, was op zoek naar haar eerste verzorgster. Ik las het, en ik kreeg kippenvel."
‘Gezocht: mijn eerste verzorgster’
“Ruim twintig jaar geleden stuitte ik bij toeval op een oproep in de Libelle: een vrouw die als kind in Beth Palet had verbleven, was op zoek naar haar eerste verzorgster. Ik las het, en ik kreeg kippenvel. Ik wist precies wie zij was: de baby die wel zeven maanden bij mij op het zaaltje was gebleven. Ik heb meteen contact gezocht. We hebben gebeld, ze is langs geweest. Op haar verjaardag heb ik haar oude foto’s en kladjes met aantekeningen over haar eerste maanden gegeven. Later vertelde ze me dat dat haar adoptiemoeder boos en jaloers had gemaakt. Had ik dat geweten… Nog steeds hebben we een heel goed contact met elkaar.”
Hoe keek u naar afstand en adoptie, toen en nu?
“Als ik toen iemand zag die ongehuwd zwanger was: ik zou er nooit op neergezien hebben. Dan had je zo’n heel jong moedertje die dat niet kon, die geen mogelijkheid zag, en voor wie het financieel moeilijk was. Dan dacht ik: misschien is het goed. Ik hoopte dat die kinderen in fijne gezinnen terecht zouden komen. Soms zag ik wel eens een adoptiemoeder, die kwam om het kindje te wassen en eten te geven. Een heel lief mens, en dan dacht ik: dat kind komt wel goed terecht.
Als je zelf kinderen hebt gehad, ga je anders denken. En de tijden zijn veranderd, nu wordt er heel anders over gesproken. Nu moeten kerken excuses maken, maar bij Beth Palet had de kerk er helemaal niks mee te maken! Ik ben zelf protestants en actief in de kerk. Bij ons was het echt anders dan bij de katholieken, bij ons was het heel liefdevol.
Ik kijk heel goed terug op mijn tijd bij Beth Palet, het zijn allemaal leuke herinneringen. Er zijn moeders die heel slecht terugkijken op de tijd van deze huizen waar ze in verbleven. Er waren zeker tehuizen waar deze moeders een nare tijd gehad zullen hebben. En waar de leiding hen kleinerend behandeld zal hebben. Maar dat was niet in Beth Palet.”
Joke heeft veel bewaard over Beth Palet: foto’s die ze zelf maakte, maar ook brochures en artikelen, en zelfs een hele oude, zinken kruik. Tastbare herinneringen die haar heel dierbaar zijn.
Kijk voor meer informatie op de pagina over Beth Palet
Over de verhalen van oud-medewerkers
Dit verhaal maakt deel uit van een reeks. Oud‑medewerkers van huizen en organisaties die betrokken waren bij binnenlandse afstand en adoptie, zijn geïnterviewd over hoe er in het verleden gewerkt werd.
De informatie uit deze verhalen is een aanvulling op wat er in dossiers en archieven te vinden is. Stichting Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder hebben meegedacht over de vragen die tijdens de interviews zijn gesteld.
Herinneringen aan het verleden zijn persoonlijk en het menselijk geheugen is niet altijd betrouwbaar. Ook worden herinneringen beïnvloed door hoe er nu naar gebeurtenissen van toen gekeken wordt. Daarom zijn deze verhalen geen volledige of neutrale weergave van hoe het was, maar geven ze inzicht in hoe een individuele medewerker op haar werk terugkijkt.
Overzichtspagina verhalen van oud-medewerkers binnenlandse afstand en adoptie