September 2026 

foto vroedvrouwenschool

Lies van Munter (89) werkte eind jaren ‘50 in de vroedvrouwenschool in Heerlen. Ondanks dat haar geheugen haar soms wat in de steek laat, wilde Lies graag over haar tijd daar vertellen. De foto’s van toen die zij in een album bewaard heeft, helpen haar herinneren.

Bron foto: privécollectie Lies

Lies: “Van huis uit ben ik katholiek. Mijn vader kwam uit Friesland, daar wonen veel katholieken. Mijn moeder was minder gelovig. We waren thuis met 9 kinderen, ik was de jongste. In die tijd waren er allemaal grote gezinnen in het zuiden. Door de oorlog kwamen we allemaal scholing tekort. Na de oorlog ging ik naar de avondschool in Molenberg (wijk in Heerlen). Daar kreeg ik jarenlang bijlessen in taal en rekenen. Later leerde ik ook het vak kinderverzorging.”

Hoe bent u bij de vroedvrouwenschool terecht gekomen?

“Ik wist dat er werk was op de vroedvrouwenschool. Ik wilde werk hebben en solliciteerde voor de baan als kinderverzorgster. Ik weet niet meer zeker hoe oud ik was toen ik in de Vroedvrouwenschool begon te werken, ik denk 18 of 19 jaar. Ik wist niet zoveel van kinderen, ik was ook de jongste thuis. Ik ben maar gewoon begonnen. Ik weet ook niet meer hoe lang ik daar heb gewerkt, ik denk twee jaar of zo. Naderhand ben ik in de ziekenverzorging gegaan in Hoensbroek. Ik ben ook nog in betrekking geweest bij een gezin thuis. Ik moest stoppen met werken toen ik trouwde, dat was in die tijd zo. Ik ben in 1969 getrouwd.

In de vroedvrouwenschool woonden veel kinderen. Die waren van ongehuwde moeders. Ik kende alleen de voornamen van de kinderen, geen achternamen. Ook niet van de moeders. De moeders zag je niet. Ik wist dat de kinderen bij hun moeders werden weggehaald, maar ik heb dat zelf nooit gezien. Het was in die tijd een schande als iemand in verwachting was en niet getrouwd. Dat was een doodzonde.”

Lies: Ik vond het fijn om in de vroedvrouwenschool met de kinderen te werken. Het was er gezellig, maar het werk was erg zwaar.

Ieder kind een eigen bedje

“We hadden een babyafdeling en een afdeling voor oudere kinderen, ik denk tot vier jaar. Ieder kind had een eigen bedje. De baby’s hadden een eigen wiegje. Ze lagen dus niet met andere kinderen in bed. We hadden speelgoed en knuffels, ik weet niet meer of ieder kind zijn eigen speelgoed had. De oudere kinderen speelden veel met elkaar, ze gingen niet naar een crèche toe. Ik weet niet waarom sommige kinderen zo lang in de vroedvrouwenschool bleven.

We namen de kinderen veel mee naar buiten. Dan gingen we in de tuin zitten of met de kinderen wandelen. Dat deden we erg graag. Sommige kinderen namen we ook wel eens mee naar de kamer van de verzorgenden die inwoonden. Dat mocht eigenlijk niet, maar dat vonden we leuk voor de kinderen.”

Lange diensten en zwaar werk

“Ik vond het fijn om in de vroedvrouwenschool met de kinderen te werken. Het was er gezellig, maar het werk was erg zwaar. We maakten lange diensten: 10, 11 uur per dag werken was gewoon, ook op de zaterdag en de zondag. Gelukkig waren we jong. 

Ik moest ook nachtdiensten draaien. Dat deed ik niet alleen. Ik draaide die dienst met meerdere collega’s samen. Als een kindje in de nacht huilde, dan keek ik of het een schone luier nodig had en haalde ik het even uit bed. Er was ook een aparte ziekenboeg voor zieke kinderen. 

Het meeste werk was het wassen van de kinderen, en het verwisselen en wassen van de luiers. Er moesten ook veel kleertjes worden gewassen. De kinderen hadden geen eigen kleertjes. We hadden stapels met schone kleertjes, en pyjamaatjes, en dan trokken we de kinderen iets aan wat mooi was en paste. Nadat de kinderen bij hun moeder waren weggenomen, kregen ze vaak kleertjes via een instantie. En als ze dan naar hun adoptieouders gingen, kregen ze daar allemaal nieuwe kleertjes, denk ik. 

In de ochtend maakten we de flesjes voor de hele dag klaar. Dit deden we om de beurt, dat was veel werk. Er was een grote keuken in de vroedvrouwenschool waar gekookt werd voor de oudere kinderen.

Ik kan me niet herinneren dat we een schriftje bijhielden voor de kinderen. Wel bijvoorbeeld voor de inentingen, en er werden ook dingen opgeschreven als een kindje ziek was. Dat deden de nonnen, die waren ook voor verpleegkundige opgeleid.”

Lies: Wij, de kinderverzorgsters, kregen ook niet te horen waar de kinderen naartoe gingen. Daar vroeg je ook niet naar. Je stelde geen vragen en zorgde ervoor dat je je werk goed deed. 

Een fotoalbum vol herinneringen

Lies heeft nog een fotoalbum met foto’s van haar tijd in de vroedvrouwenschool. Op bijna iedere foto houdt ze een of meer kinderen op schoot. Net als haar collega’s draagt ze een wit uniform. Het ziet er gezellig uit, er wordt veel gelachen op de foto’s:

“Het was er, ondanks het harde werken, echt wel gezellig. We maakten er gewoon iets van. We hielden ook wel van grapjes, maar daar mochten de nonnen niets over weten. Ik snap ook niet waarom ze non waren geworden. Wij als jonge meisjes dachten dat ze geen mannen konden krijgen en daarom maar het klooster in gingen.”

Op een aantal foto’s zijn kindjes bij elkaar gezet in een box of op de planken van een boekenkast: 

“Ik had ze voor de foto naast elkaar in een bedje gelegd, maar dat mocht eigenlijk niet. Maar we waren jong en vonden het leuk met de kinderen. Ik knuffelde en speelde graag met de kinderen. Ik had wel lievelingskinderen waar ik voor zorgde. Ik hield van die kinderen maar ik hield me niet bezig met waarom die kinderen daar verbleven. Die kinderen waren van ons afhankelijk dus daar zorgden we goed voor. Wij knuffelden de kinderen gewoon, we maakten er veel plezier mee. Ze werden goed verzorgd, daar werd goed op gelet.”

Goed voor de kinderen zorgen en geen vragen stellen

“We kregen nooit iets te horen over het afstaan van de kinderen. Die kinderen waren gewoon blij, die wisten niet wat hun te wachten stond. Wij wisten het wel, maar we waren jong en het was gewoon mijn werk. 

Als moeders voor de kinderen kwamen, werd er samen met de leiding eentje uitgekozen. Dat ging een beetje langs ons, de harde werkers, heen. Er ging ook wel eens een kindje terug naar de eigen moeder. Dat heb ik zelf niet meegemaakt, maar hoorde ik later op de radio. Ik kan me herinneren dat er tweelingen waren, zelfs een drieling. Broertjes en zusjes. Ik weet niet of die samen naar nieuwe ouders vertrokken. 

Wij, de kinderverzorgsters, kregen ook niet te horen waar de kinderen naartoe gingen. Daar vroeg je ook niet naar. Je stelde geen vragen en zorgde ervoor dat je je werk goed deed. Je sprak er ook niet echt met je collega’s over. Ik was er niet bij als de adoptieouders hun kindjes kwamen afhalen. Wij, de kinderverzorgsters, gingen daar niet over. Wij waren er voor de verzorging van de kinderen. Je moest gewoon doen wat je werd verteld. Het was na de oorlog en het was een strenge tijd.

Als de kinderen weg waren, dan zag ik ze nooit meer. Dan kwam je binnen voor je dienst en dan was een kind er niet meer. Je kon geen afscheid nemen. Je was zo druk bezig met werken dat je er niet zo bij stil stond. Je had daar geen tijd voor en je was ’s avonds moe. Er kwamen ook steeds nieuwe kinderen. Je werd daar niet op voorbereid, je werd daar niet bij betrokken. Het waren de nonnen die aan het hoofd stonden. We moesten gewoon ons werk doen en dat was het verzorgen van de kinderen.”

Terugdenken aan de tijd van toen

“In mijn latere leven dacht ik niet veel meer aan alle kinderen. Maar thuis heeft er nog lang een foto gestaan van een van de kinderen waar ik graag voor zorgde. Dit kind is veel later nog bij mij langs geweest. Het was een jongen, ik weet niet meer hoe hij heet. Mijn geheugen laat me in de steek. 

Pas veel later hoorde ik op de radio over kinderen die hun moeders gingen zoeken. Ook kinderen die in andere tehuizen in Nederland waren afgestaan. Ik hoorde dan dat er kinderen waren die geen contact meer wilden met hun moeder omdat ze voor hun adoptieouders kozen. Dat was wel erg voor zo’n moeder.

Lies wist van afstand en adoptie, maar kan zich niet meer voorstellen wat zij daarover dacht. Daar heeft ze teveel voor meegemaakt in haar leven. Wat ze wel weet is dat zij bij de vroedvrouwenschool heeft geleerd om goed met kinderen om te gaan: “het was mooi werk”.

Kijk voor meer informatie op de pagina van Vroedvrouwenschool Heerlen

Over de verhalen van oud-medewerkers 

Dit verhaal maakt deel uit van een reeks. Oudmedewerkers van huizen en organisaties die betrokken waren bij binnenlandse afstand en adoptie, zijn geïnterviewd over hoe er in het verleden gewerkt werd.  

De informatie uit deze verhalen is een aanvulling op wat er in dossiers en archieven te vinden is. Stichting Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder hebben meegedacht over de vragen die tijdens de interviews zijn gesteld. 

Herinneringen aan het verleden zijn persoonlijk en het menselijk geheugen is niet altijd betrouwbaar. Ook worden herinneringen beïnvloed door hoe er nu naar gebeurtenissen van toen gekeken wordt. Daarom zijn deze verhalen geen volledige of neutrale weergave van hoe het was, maar geven ze inzicht in hoe een individuele medewerker op haar werk terugkijkt.  

Overzichtspagina verhalen van oud-medewerkers binnenlandse afstand en adoptie