Juni 2026
Maria (77) was 17 jaar oud en klaar met de middelbare school. Via de huisarts van haar ouders, die in het bestuur zat van kindertehuis Het Bosje in Rotterdam, kon ze daar een paar maanden gaan werken, tot ze oud genoeg was om met de opleiding tot verpleegkundige te starten. Het bleek zo’n fijne werkplek dat ze er drie jaar gebleven is.
Bron foto: privécollectie Maria
Hoe was de eerste kennismaking met Het Bosje?
Maria: “Ik was heel jong en zo groen als gras. Dit werd mijn eerste werkplek. Ondanks dat ik een katholieke achtergrond heb, vond ik de ontvangst in de refter van het klooster, en het gesprek met moeder-overste en zuster Bernadette* indrukwekkend. Ik was blij dat m’n moeder mee was naar het sollicitatiegesprek. In dat gesprek werd verteld dat de kinderen in Het Bosje afstandskinderen waren, en dat ze daar verbleven in afwachting van plaatsing in een pleeg- of adoptiegezin.”
Kunt u het kindertehuis beschrijven?
“Het Bosje zat in twee grote, aaneengesloten herenhuizen, die binnendoor verbonden waren. In het ene pand was de kinderopvang en in het andere pand waren overdag de zusters aanwezig. Zij hadden een kapel, een eetzaal en een refter en hadden daar hun dagelijkse kloosteractiviteiten. Er waren 6 zusters. Wij hadden in het werk met twee zusters te maken, ieder met een eigen karakter. Een van hen was de directrice van de Stichting het Bosje. Zij waren beiden op de werkvloer aanwezig, en richtten zich vooral op de voorwaarden voor het welzijn van de kinderen, maar de uitvoering daarvan was in handen bij de leidsters/kinderverzorgsters. Ze namen alleen meisjes aan die echt met hun hart voor de kinderen wilden zorgen.
In het pand van de kinderopvang was in de kelder een eigen wasserij. Indertijd waren er alleen katoenen luiers. De eerste maanden werd ik soms misselijk van de geur van de katoenen luiers, met zoveel baby’s was die nogal intens.”
Maria: " Ik vond de baby’s het allerleukst en voelde mij op de babygroep het meest op mijn plek."
Rust, reinheid en regelmaat
“Het was de tijd van rust, reinheid en regelmaat. Die werd echt nageleefd en nagestreefd. Verder werd er niet zoveel benoemd. Het uitgangspunt was per groep zoveel mogelijk vaste verzorgsters. Je vervangt natuurlijk nooit een moeder, want dat ruikt en klopt gewoon anders dan een vreemde. Maar de groep verzorgsters werd bewust zo klein mogelijk gehouden.
Ik werkte op de babyafdeling, daar hadden we 12 bedjes. Er was een apart kamertje waar drie commodes op hoogte en kinderbadjes stonden. Mijn werk was kinderen verzorgen en met de kinderen bezig zijn. Voeden en luiers verschonen. We hadden kinderen vanaf een paar dagen oud tot de leeftijd dat ze naar de peutergroep gingen. De peuter- en kleutergroepen waren iets kleiner dan de babygroep.
Ik ben wel eens ingevallen in de kleutergroep, daar had ik opeens vijf kinderen op een potje zitten om zindelijk te worden. Nou dat is niet eenvoudig als je alleen maar gewend bent om voor baby’s te zorgen. Ik vond de baby’s het allerleukst en voelde mij op de babygroep het meest op mijn plek.”
A-, B- en C-diensten
“Er waren dagelijks drie verschillende diensten, waarbij de nadruk op de ochtend lag. In de A-dienst werkte je van ’s morgens vroeg tot ergens in de middag. De B-dienst was een gebroken dienst, dan werkte je in de morgen, ging tussendoor naar huis, en moest ’s middags weer terugkomen. Dat was niet mijn favoriete dienst. De C-dienst begon in de middag en duurde tot de avond. Voor de nacht waren er vaste medewerkers. Aan het eind van mijn tijd bij Het Bosje heb ik nog twee maanden nachtdiensten gedaan. ’s Nachts was je alleen en ik denk dat er dan toch wel 40 kinderen in huis waren. Maar de meesten sliepen gewoon. Er werden controlerondjes gelopen. Kleintjes kregen tussendoor voeding, en voor kindjes met vieze luiers werd goed gezorgd. Op huilende kindjes, die je via de babyfoon hoorde, werd natuurlijk gereageerd.”
Maria: "Ik heb ook niet het gevoel dat ik tekortschoot in aandacht, want dat was eigenlijk vrij."
Aandacht voor de kinderen
“We waren dol op de kinderen. Niet alleen ik, maar ook mijn collega’s. Allemaal jonge meiden. We hadden het gezellig samen en er was heel veel aandacht voor de kinderen. Ik heb ook niet het gevoel dat ik tekortschoot in aandacht, want dat was eigenlijk vrij. Er waren geen controles, als de zusters je eenmaal vertrouwden, dan liepen ze per dag een paar keer binnen.
Als het ’s middags wat rustiger was, gingen we wandelen met de kinderen in hele ouderwetse, gekregen kinderwagens. Ik weet nog dat ik een keer alleen achter de kinderwagen liep en er een meneer afkeurend naar mij keek alsof ik een ongehuwde moeder was. Op dat moment dacht ik: ‘Zo wordt er dus naar mensen gekeken die op jonge leeftijd met een baby lopen.’ Misschien heb ik de blik van die meneer verkeerd geïnterpreteerd, maar het riep iets bij me op.
De kleuters gingen soms met een paar tegelijk in de bolderkar naar Diergaarde Blijdorp. Dat was dichtbij en met een abonnement is daar geregeld gebruik van gemaakt. We mochten ook kinderen mee naar huis nemen. Waarom dat was, weet ik niet goed, maar het kan zijn dat ze hebben gedacht: een kind gaat op termijn naar een gezin en misschien is het goed dat ze af en toe in een gezin zijn. Geen idee. Het is een paar keer gebeurd, niet heel vaak. Mijn gezinsleden vonden dat hartstikke leuk.
Er werd niet gekookt in huis. We hadden potjes Olvarit: fruithapjes en kleine maaltijdpotjes. Er was een kleine keuken waar de flesvoeding werd klaargemaakt en de broodpap voor de baby’s die daaraantoe waren.”
Wat was uw betrokkenheid bij afstand en adoptie?
“Wij kenden alleen de voornaam van een kind. We wisten dat ze afgestaan waren en dat ze naar een adoptiegezin doorgeplaatst zouden worden. Verder mochten wij niets van de kinderen of de omstandigheden weten. Wij hebben nooit contact gehad met biologische moeders. Natuurlijk kwamen er af en toe adoptieouders in spe, die met de hoofdzuster door het pand liepen. Dit werd verder buiten ons gezichtsveld gehouden. Zulke gesprekken vonden plaats in het pand van de zusters.
Er werd geen periodieke, schriftelijke rapportage van ons verwacht. Natuurlijk hebben we voeding, gewicht of bijzonderheden per kind dagelijks genoteerd. Ik kan me niets herinneren van contacten met een maatschappelijk werker of een psycholoog. Besluitvorming rondom afstand en adoptie of een aanlooptraject naar de adoptie verliep buiten ons om. Ik heb ook geen idee welke instanties erbij betrokken waren.
Hoelang kinderen bij ons bleven, was wisselend. Als het adoptieproces snel verliep, waren kinderen maar een paar maanden in het huis. Waarom het bij de een langer duurde dan bij de ander, wisten we niet. We stelden ook geen vragen. Ik vind dat nu vreemd, maar ik had toen de indruk dat het niet de bedoeling was dat wij daarnaar vroegen. Als een kindje weg ging, werden we daar nauwelijks bij betrokken. We wisten natuurlijk dat de kinderen maar tijdelijk bij ons waren, en we zagen het als een hoopvolle, fijne vervolgstap.”
Een trappelzak met een kroontje
“Eén keer kregen we in een periode van twee weken acht nieuwe kinderen. Precies negen maanden na carnaval. Daar hadden we het onderling wel over, want acht kinderen in zo’n korte tijd was natuurlijk heel bijzonder. Dit leek voor mij te bevestigen dat dit een goede oplossing was voor niet-bedoelde zwangerschappen.
Er was één moeder die altijd op vrijdag haar zoontje op kwam halen en hem op zondagmiddag weer terugbracht. Hij is bij ons is gebleven tot de kleuterleeftijd. Dat was een uitzondering en daarom zo opvallend. Er waren ook andere kinderen die eruit sprongen. Op 27 april 1967 werd Willem Alexander geboren. Een jongetje bij ons dat op diezelfde dag geboren was, kreeg van de overheid een trappelzak met een kroontje erop. Zoiets blijft je bij. Nu nog denk ik elk jaar op Koningsdag aan dát jongetje, die nu een man is van bijna 60.
Ik heb mij later regelmatig afgevraagd: ‘Wat zal er van deze kinderen geworden zijn?’ Soms zie ik iemand op televisie, met een voornaam die ik herken en dan denk ik: het is wel die leeftijd… In de tachtiger jaren heb ik in een crisiscentrum gewerkt, en daar hadden we een tiener die ik van naam uit het kinderhuis kende. Die was weggelopen. Toen dacht ik wel: oei, daar is het niet zo goed gegaan.”
Maria: "Mijn kijk (erop) is veranderd doordat moeders zo dapper zijn geweest om zich uit te spreken over hun verdriet."
Hoe kijkt u terug op uw tijd bij Het Bosje?
“Ik heb destijds gedacht: ‘Hier wordt iedereen gelukkiger van.’ Het kind paste niet in de omstandigheden waarin het geboren was, en zo kon iemand toch met het leven verder. Wij waren een tussenfase. Je kunt natuurlijk nooit een moeder vervangen, maar we zorgden met een vast groepje heel liefdevol voor deze kinderen.
De afgelopen jaren is er steeds meer naar buiten gekomen over afstandsmoeders en -kinderen. Dat heeft mij wel geschokt, want het gaat ook over de kinderen waar ik destijds voor heb gezorgd. Ik realiseer me dat ik te maken had met het ontbreken van informatie We waren alleen gericht op met de kinderen bezig zijn. En de voorwaarden om het voor de kinderen zo fijn mogelijk te maken, waren naar mijn idee gewoon goed. Ik had het idee dat iedereen er beter van werd.
Dat beeld is gaan kantelen door informatie die naar buiten kwam via interviews, krantenartikelen en radio en televisie. Mijn kijk erop is veranderd doordat moeders zo dapper zijn geweest om zich uit te spreken over hun verdriet. Zowel moeders, kinderen en misschien ook mensen uit de directe omgeving hebben met geheimen te maken gehad. Dat is voor velen een zware last geweest. Vrijwel alle betrokkenen hebben uiteindelijk gewacht met naar buiten treden tot het juiste moment, met de bedoeling zomin mogelijk mensen te kwetsen.
Mijn opleiding tot maatschappelijk werker heeft mij geholpen deze processen met de bijbehorende emoties beter te begrijpen. Wat er gebeurd is, is niet meer ongedaan te maken. Maar mochten er mensen zijn, die denken dat we afstandelijk met de kinderen omgingen, dan wil ik dat graag rechtzetten. We gingen warm en nabij met de kinderen om.”
Een schakel in een systeem
“Een van de redenen dat ik langer gebleven ben bij Het Bosje was dat ik het werk heel fijn vond. Ik heb de opleiding Kinderbescherming A gevolgd, zeg maar de mbo-jeugdopleiding van toen. Dat werd gestimuleerd door de leiding van het huis. Uiteindelijk braken de onregelmatige werktijden me op en ben ik toch elders gaan werken.
Ik vind het moeilijk dat er druk, pijn en verdriet vast zit aan een periode waar ik met veel plezier aan terugdenk. Ik realiseer me inmiddels dat ik een schakel ben geweest in een systeem waar niet alles in deugde.”
Terugblikken op haar tijd bij Het Bosje laat Maria niet onberoerd en daarom deelt zij graag haar verhaal. Zij hoopt dat haar verhaal bijdraagt aan meer informatie en openheid. Mogelijk kan het verduidelijking geven aan iemand met vragen over deze periode.
Lees meer op de informatiepagina over Kindertehuis Het Bosje
* de namen van de Zusters zijn niet hun echte namen
Over de verhalen van oud-medewerkers
Dit verhaal maakt deel uit van een reeks. Oud‑medewerkers van huizen en organisaties die betrokken waren bij binnenlandse afstand en adoptie, zijn geïnterviewd over hoe er in het verleden gewerkt werd.
De informatie uit deze verhalen is een aanvulling op wat er in dossiers en archieven te vinden is. Stichting Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder hebben meegedacht over de vragen die tijdens de interviews zijn gesteld.
Herinneringen aan het verleden zijn persoonlijk en het menselijk geheugen is niet altijd betrouwbaar. Ook worden herinneringen beïnvloed door hoe er nu naar gebeurtenissen van toen gekeken wordt. Daarom zijn deze verhalen geen volledige of neutrale weergave van hoe het was, maar geven ze inzicht in hoe een individuele medewerker op haar werk terugkijkt.
Overzichtspagina verhalen van oud-medewerkers binnenlandse afstand en adoptie