Juni 2026
Marieke (82) woonde in Utrecht bij haar ouders, werkte als analiste, en wilde ontzettend graag op kamers wonen. Een collega die bij de kinderbescherming ging werken, zei: dan moet je in een kindertehuis gaan werken, dan moet je bij Stichting De Opbouw zijn, daar kun je ook een opleiding doen. Marieke werd enthousiast en nam contact op met Stichting De Opbouw, een zorgorganisatie in Utrecht.
Bron foto: privécollectie Marieke
Huize De Hazelaar in Huis ter Heide (december 1963 – januari 1966)
Marieke: “Toen ik bij Stichting De Opbouw kwam, was ik te jong en te onervaren om al in een echt kindertehuis te gaan werken, met moeilijke kinderen. Maar De Opbouw had ook een vacature in Huis ter Heide, in een huis voor ongehuwde moeders en hun baby’s. Met drie oudere zussen had ik al wel wat baby’s in m’n handen gehad. Ik vond baby’s schattig maar had er nooit voor gezorgd.
Ik was 19 jaar toen ik in december 1963 begon in Huize De Hazelaar. Ik was heel stomverbaasd toen ik daar voor het eerst binnenkwam en die dikke buiken zag rondlopen. Maar het wende snel. Ik werd bij een kinderkamer met iets oudere kinderen geplaatst, kinderen van één tot twee, tweeënhalf jaar oud. Daar werkte iemand die mij alles vertelde, over de kinderen en waar ze vandaan kwamen, en wat ik moest doen.”
Kunt u het huis beschrijven?
“De Hazelaar was een heel groot huis, dat prominent aanwezig was in de buurt. Er waren drie kinderkamers. Twee boven en één beneden. Boven had je een grote babykamer en een kamer met kinderen boven het half jaar, die ook al in de box lagen. Beneden was de kamer met de wat grotere kinderen. In de kamers stonden bedjes op een rijtje, bij de baby’s een stuk of twaalf zeker. In de andere kamers waren het acht of tien ledikantjes. Dat waren kinderen die ook geen fles meer kregen, die kregen ander eten: broodpap. Ze kregen al heel gauw brood, daar werd warme melk met suiker
overheen gegoten. Er waren kleine tafeltjes en stoeltjes waar ze konden zitten om te eten. Ze gingen ook allemaal tegelijk op het potje, en dronken ondertussen sap uit een tuitbekertje. Flessen voor de jonge baby’s werden opgewarmd in een grote pan. Kinderen hadden allemaal een eigen speen, in een potje. De spenen werden één keer per dag uitgekookt.
Beneden was ook een grote speelkamer, in een soort serre. Helemaal kaal, geen stoel of niks, alleen speelgoed op de vloer. De kamer ging dicht met een haakje op de deur, dan konden wij rustig koffie drinken. Je deed ook niet veel met de kinderen, we gingen er niet bij zitten. Er werd niet veel met hen gespeeld, dat heb ik me later pas beseft. Er werd wel gekrijst, dan hadden ze ruzie en pakten dingen van elkaar af. Ik heb daar wel wroeging over, dat de kinderen, de oudere kinderen, wel heel veel tekort zijn gekomen.
De moeders sliepen boven op een soort slaapzaal met vier of zes. Ik geloof dat er wel drie van zulke kamers waren. Moeders en aanstaande moeders door elkaar. Ze moesten zelf hun kamer schoonhouden en bedden opmaken. En meehelpen in huis. Als het nodig was, hielpen ze ook op de kinderkamer, met bedjes verschonen of zo. Ook als ze nog zwanger waren, en ook als ze al wisten dat ze hun kind zouden afstaan.
In de garage was een washok. Daar stonden we zelf alle luiers uit te spoelen. Het was veel wassen en schoonmaken. De kinderen hadden allemaal wollen dekentjes die kon je niet zo makkelijk wassen. Die moesten regelmatig aan de lijn, in de zon, dat was goed voor de hygiëne. Zulke dingen leerde ik daar. Het was echt hard werken. Vóór ik hier ging werken had ik nog nooit gedweild. Ik ben hier een perfecte huisvrouw geworden!”
Marieke: Vóór ik hier ging werken had ik nog nooit gedweild. Ik ben hier een perfecte huisvrouw geworden!
De medewerkers
“Alle medewerksters waren intern, behalve een vrouw uit de buurt die alleen voor de middagdienst kwam. In het grote huis woonden de directrice en de adjunct-directrice. Er was een kookster die samen met de aanstaande moeders het eten voor de kinderen, de moeders en de medewerkers klaarmaakte. Zij had een kamer op zolder. Er was daar plek voor nog twee medewerkers, denk ik.
Boven de garage waren ook nog twee kamers. In het begin heb ik een paar maanden een kamer in het huis gehad. Daarna ging ik naar ‘de villa’, een huisje in de tuin waar we met vier, vijf medewerksters woonden. Die tuin was heel groot, via een slingerpaadje kwam je bij de villa. ’s Avonds was dat hartstikke donker, ik wist nooit hoe hard ik moest rennen.”
Hoe verliep een dag in Huize de Hazelaar?
“We begonnen om zeven uur ’s morgens. Eerst deden we de kinderen in bad en gaven we de fles, en dan gingen we pas ontbijten. Dat ging vrij razendsnel moet ik zeggen. De dag ervoor waren de kleertjes al klaargelegd, dat had de avonddienst gedaan. Je mocht niet een kind de fles geven als het voor je lag, je moest een kind op de arm nemen. Als het even kon, nam je elke dag dezelfde kinderen, en ging je je daar een beetje aan hechten. Dat werd ook gestimuleerd. Maar dat was niet altijd vol te houden, door de verschillende diensten of als je er een paar dagen niet was. De kinderen hadden geen eigen kleren, die waren algemeen. Maar ik wilde wel dat ‘mijn’ kinderen de mooiste kleertjes aan hadden. Ik kocht zelf ook wel eens wat.
Soms was het heel druk. Dan zeiden we onderling: als we morgen nou eens om half zeven beginnen, dan zijn we op tijd klaar voor het ontbijt. Dat was geen opdracht, dat deden we zelf. Eigenlijk hebben we ook heel veel in onze vrije tijd gedaan en werkten we meer uren dan we eigenlijk moesten. Maar dat deed je gewoon, het moest klaar. En je voelde je verantwoordelijk. Maar we hadden ook veel lol en hebben veel gelachen. Na het ontbijt deed de directrice de werkverdeling. Als zij er niet was, deed de adjunct-directrice dat. De adjunct werkte ook gewoon mee, en hielp met alles.
We zaten met z’n allen bij elkaar aan tafel en aten allemaal hetzelfde eten: het personeel en de aanstaande moeders. Daar kreeg je ook de verhalen te horen van die moeders. Er werd open over van alles gesproken. Niet over afstand doen, maar wel over vriendjes en dat ze in de steek gelaten waren door die rotkerels. Ze waren mijn leeftijd, en daar zat ik dan tussen. Ik vond het ook wel hilarisch, en als ik vriendinnen uit Utrecht sprak, kon ik in geuren en kleuren vertellen. Ik had ontzettend veel verhalen.
Als de kinderen naar bed gingen voor een middagslaapje, hadden wij een paar uurtjes vrij. Een vrouw die in de buurt woonde, deed de middagdiensten, als er bijvoorbeeld tussendoor nog een flesje gegeven moest worden. Om drie uur begonnen de eersten dan weer. ’s Avonds hadden we een broodmaaltijd.
Er was ook een avonddienst, maar dat weet ik niet precies meer. De kleintjes kregen dan nog een fles, en de rest liep je langs, of het goed sliep, of ze er goed bij lagen. En dan ging je weg, de deur op slot, en was het stil. Er bleef niemand bij de kinderen. Als er gehuild werd, was er altijd wel iemand die dat hoorde. Soms gingen moeders even kijken, of de adjunct-directrice. Kinderen moesten zo snel mogelijk leren doorslapen. Rust, reinheid en regelmaat speelden een grote rol, maar ik heb het niet als streng ervaren.
In het weekend kwam er wel eens een zusje van één van de medewerksters vrijwillig helpen. Dat mocht allemaal. Ik heb een keer gevraagd of ik een kindje mee naar Utrecht mocht nemen, naar de ouders van mijn vriend. Ik vond het een heel leuk kind en was trots op haar. Gewoon, kind op de arm, en met de bus. Nu denk ik: dat dat zomaar mocht!”
Naar buiten
“De directrice was heel erg van naar buiten, in de zon, en vitamine D. Zodra de zon scheen en het was niet al te koud, gingen de kinderen naar buiten. Eén keer per dag moest dat hoe dan ook. Er was een groot balkon, daar werden de baby’s met wiegje en al op gezet. Ook de boxen gingen naar buiten. We hebben wat afgesjouwd! Beneden in de tuin lagen de kinderen in kinderwagens.
Zomers was er een zandbak in de tuin. Met de groep die al wat groter was, gingen we ook wandelen. Met zo’n grote trekkar, een paar kinderen erin, naar het park, de eendjes voeren. Ik heb ook wel eens alleen met een paar kinderen in het bos gelopen, met die kar. Er waren veel bossen in de buurt. Ik werd toen lastig gevallen door een man en wist niet hoe snel ik het bos uit moest komen. M’n hart sloeg in m’n keel. Ik heb dat niet gemeld omdat ik het slap vond van mezelf dat ik zo bang werd.
In de winter gingen de kinderen onder de hoogtezon, in hun blootje, met een beschermend brilletje. En dus wij ook, want wij moesten ieder een kindje vasthouden om te zorgen dat het brilletje op bleef.”
Marieke: Er waren kinderen die afgestaan werden en kinderen die niet afgestaan werden. Een besluit over wel of niet afstaan werd altijd genomen in overleg met het thuisfront, en met begeleiding. Gesprekken daarover gebeurden buiten ons zicht. Er kwam speciaal een maatschappelijk werker van De Opbouw, en ook een psychologe. Ik had niet het gevoel dat er gestuurd werd.
Bevallingen in huis
“De directrice was ook vroedvrouw, en de adjunct-directrice was kraamverzorgster van beroep. De bevallingen gebeurden in huis, in een aparte kraamkamer. Als één van die twee er niet was, deed de ander nog wel eens een bevalling, of werd er iemand van buiten gehaald. Als het de adjunct was, die er niet was, werd dat één van ons. Ik hoopte altijd maar dat ik niet geroepen zou worden. Het is één keer gebeurd. Ik vond het ontzettend griezelig om bij een bevalling te zijn, want je hoorde kreunen en gillen. Op een gegeven moment zei de directrice tegen mij: ‘nu ga jij naar de gang, en je kop tussen je benen’. Die dacht: dat gaat niet goed. Later hebben we er ontzettend om gelachen, het was een leuk mens.”
Moeders die hun kind hielden
“Er waren kinderen die afgestaan werden en kinderen die niet afgestaan werden. Een besluit over wel of niet afstaan werd altijd genomen in overleg met het thuisfront, en met begeleiding. Gesprekken daarover gebeurden buiten ons zicht. Er kwam speciaal een maatschappelijk werker van De Opbouw, en ook een psychologe. Ik had niet het gevoel dat er gestuurd werd.
Moeders die hun kind hielden, gingen na de bevalling terug naar huis, of naar waar ze terecht konden. Het kind bleef bij ons, en de moeders kwamen hen opzoeken. Ik had daar niet zoveel gedachten over, ik dacht: het zal wel goed komen. Afstandsmoeders gingen na de bevalling al heel snel weg.
De iets oudere kinderen waren de kinderen die niet afgestaan waren. Hun moeders kwamen in het weekend om voor hen te zorgen. Ze konden ook blijven slapen, en moesten meehelpen in huis. Er waren ook moeders bij, met wie op zondag hun vriendje mee kwam, de vader van het kindje. Dan gingen ze wandelen met het kindje, dat vond ik aandoenlijk. Dit waren wel uitzonderingen, maar het mocht gewoon.
De kinderen bleven totdat ze hooguit drie jaar waren, dan moesten de moeders een ander onderkomen gevonden hebben, of toch mét kind bij hun ouders terug kunnen komen. Vanuit De Opbouw werden moeders daarin begeleid. Als er dan nog niks gevonden was, gingen kinderen naar een ander kindertehuis van Stichting De Opbouw. Er was geen situatie hetzelfde, iedereen had een eigen, ander verhaal.”
Marieke: Toen heb ik nooit stilgestaan bij wat afstand doen zou kunnen betekenen voor de moeder. Dat is later pas tot me doorgedrongen. Achteraf vind ik het vreselijk hoe dat ging, daar heb ik ook best wel last van gehad.
Kinderen die afgestaan werden
“Kinderen die afgestaan waren en geadopteerd werden, waren veel eerder weg. Soms al wel met drie-vier maanden, maar zeker vóór het eerste jaar. Daar hadden we het ook wel over. Ik ging er ook echt in geloven dat het voor het kind het allerbeste was op dat moment. Die meisjes waren verstoten van thuis, ze zaten nog op school, of ze wilden het kind zelf helemaal niet. Ik heb wel hele jonge meisjes gezien, van 14-15 jaar, die een kind kregen van hun vader… Vreselijk! Iedereen was ervan overtuigd: in dit geval is afstaan het beste voor het kind.
Soms kwamen er mensen kijken, die een kindje mochten adopteren. En later nog een keer. Hoe dat precies ging, weet ik niet meer. Ons werd niets gevraagd, ook niet of een kindje goed dronk ofzo. Wij mochten ons er niet mee bemoeien, wij moesten ons afzijdig houden, de directrice regelde dit. Over dossiers of archieven weet ik ook helemaal niks. Kinderen werden geregeld gewogen, en er kwam wel eens een arts. Dat moet genoteerd zijn, maar waar en hoe, dat weet ik niet
Adoptieouders kwamen vaak met een taxi als het kindje meeging. Dan hoorde je: die is opgehaald, en was het opeens weg. Iedereen accepteerde dat, zo was het nu eenmaal. En we waren blij voor het kind.
Toen heb ik nooit stilgestaan bij wat afstand doen zou kunnen betekenen voor de moeder. Dat is later pas tot me doorgedrongen. Achteraf vind ik het vreselijk hoe dat ging, daar heb ik ook best wel last van gehad. Dat is gekomen nadat ik zelf mijn eerste kind had gekregen. Ik moest trouwen, ik was dan wel iets ouder, maar wij hadden ook geen woning, voor ons was het ook: hoe regelen we dit allemaal? Maar we hadden wel hulp. Met mijn kind aan de borst heb ik gedacht: hoe is het mogelijk…”
In de avonduren had Marieke in Utrecht haar diploma Kinderbescherming A gehaald, en ging ze door met Kinderbescherming B. Daarvoor moest ze ook ervaring opdoen met oudere kinderen. Een oud-collega van De Hazelaar was in Hilversum gaan werken bij De Regenboog, één van de Gooise Tehuizen, en had het wel naar haar zin. Marieke kon daar terecht bij Het Mierennest, een tehuis voor schoolgaande kinderen. Vanaf dag één vond ze het daar niet leuk. Ze was te jong, te onervaren met oudere kinderen en voelde dat ze beschadigde kinderen niet goed aankon. Ze wist dat onder de Gooise Tehuizen ook een moederhuis viel, waar haar oud-collega inmiddels ook werkte. Na tien maanden Mierennest startte Marieke in december 1966 bij Huize de Hoeksteen. Haar herinneringen aan deze periode zijn minder scherp.
Huize De Hoeksteen (december 1966 – juli 1967)
“De directrice van De Hoeksteen was dezelfde als van Het Mierennest, ze kwam een paar keer per week langs. Het was een strenge vrouw, iedereen was bang voor haar. Aan het eind van de periode dat ik er werkte, is zij met pensioen gegaan en is er een ander gekomen. Die kwam niet uit de sector en wist echt van niets. Ze wilde wel eens proberen om ons te helpen, maar ze had het nog nooit gedaan. Ze woonde in Utrecht en kwam naar De Hoeksteen alsof ze naar kantoor ging.”
Hetzelfde en toch anders
“In De Hoeksteen voelde het als vanouds, al werden zaken toch anders georganiseerd. Vrouwen waren er niet zo heel lang: ze waren al behoorlijk zwanger als ze binnenkwamen. Ze bevielen in het ziekenhuis en daarna waren ze snel weer weg. Ik heb er ook geen hele jonge meisjes gezien, zoals in Huize De Hazelaar. Er waren ook geen moeders die hun kind hielden, maar het waren ook niet allemaal afstandskinderen – ik moet echt in mijn geheugen graven…
Medewerksters en moeders, dat waren gescheiden werelden. Het was afstandelijker, niet zo gezellig. We zaten wel met z’n allen aan tafel, en de moeders moesten ook helpen met was vouwen en schoonmaken, maar er werd veel minder gecommuniceerd.
Ik had een kamer in Hilversum, in de buurt. Ik geloof dat er twee medewerkers waren die in De Hoeksteen op een zolderkamer woonden waaronder mijn oud-collega van De Hazelaar. Er werkte ook iemand die verpleegster was geweest. De meeste meisjes noemden haar ‘zuster’, zij was een beetje het hoofd en wist hoe het allemaal moest. Ze droeg een uniform, wij droegen witte schorten. Ik geloof dat de zuster, die ik gewoon Nel noemde, ook in het huis woonde, maar dat weet ik niet zeker meer. Toen ik weg ging, was er net een aanbouw gekomen waar je vanuit de keuken door de tuin naartoe moest lopen. Daar waren ook kamers waar personeel sliep. Met de collega’s onder elkaar was het heel goed."
Marieke: Ik kan me niet herinneren dat er adoptieouders geweest zijn, of dat er kinderen weg gingen. Dat moet wel gebeurd zijn, ik heb er acht maanden gewerkt. Ik woonde niet intern, maar dat weet ik niet meer.
Kunt u Huize De Hoeksteen beschrijven?
“Er waren twee afdelingen. Boven was de afdeling voor iets oudere kindjes, die al in bedjes lagen. Beneden was de babyafdeling, met wiegjes. Daar ging ik werken. Ik had daar een stuk of twaalf baby’s. We werkten met z’n tweeën of z’n drieën, zeker ’s morgens, op de drukke tijden van voedingen geven en wassen. Je moest je zoveel mogelijk met dezelfde kinderen bezighouden. Als je er was, dan waren die kinderen ‘van jou’. Kinderen die huilden, hoefde je niet meteen op te pakken, daar waren ze streng in. Later heb ik dat met mijn eigen kinderen ook zo gedaan, want zo hoorde dat…
De dagindeling in De Hoeksteen was vergelijkbaar met De Hazelaar. De kinderen werden ook hier in wagens gelegd en buiten gezet, in de voortuin want daar was schaduw. Voor de wat grotere kinderen werd een box buiten gezet, of boven op een balkon.
De voedingen en hapjes maakten we zelf klaar in de keuken. Ik vermoed dat een deel van het linnengoed naar een wasserij ging, want wij deden alleen de kleertjes. En we moesten schoonmaken, de moeders moesten helpen. Ik kan me niet herinneren dat ik de kamers of de gangen heb schoongemaakt, het moet haast wel dat er ook een werkster kwam.
Ik kan me niet herinneren dat er adoptieouders geweest zijn, of dat er kinderen weg gingen. Dat moet wel gebeurd zijn, ik heb er acht maanden gewerkt. Ik woonde niet intern, maar dat weet ik niet meer.”
Terugblik
“In mijn jaren bij Huize De Hazelaar en Huize De Hoeksteen ben ik in een sneltreinvaart volwassen geworden. Daar was ik me ook van bewust, dat ik van de wereld veel meer wist dan anderen. Dat heb ik als positief meegenomen in de rest van mijn leven. Ik heb daarna nooit meer zo gauw geoordeeld over mensen: er zijn zoveel verhalen waar mensen niet bewust ingestapt zijn.
Tijdens een vakantie met mijn gezin op Ameland, vele jaren geleden, werd ik aangesproken door een vrouw. Of ik Marieke was, uit De Hazelaar? Deze vrouw had daar een dochtertje gekregen waarvan ze afstand had gedaan. Ze vertelde dat ze nu getrouwd was en een gezin had. Ik begreep eruit dat ze wel vrede had met haar keuze van toen.”
Al jaren lag er bij Marieke op zolder een album met foto’s uit deze periode van haar leven. Foto’s van Huize de Hazelaar en Huize de Hoeksteen, van de verzorgsters en de kinderen, met voornamen erbij. In aanloop naar de excuses van de overheid aan afstandsmoeders en kinderen in juli 2026, merkte ze hoe er gezocht wordt. En realiseerde zij zich: er is niemand die weet dat ik dit heb. Het idee dat haar eigen kinderen deze foto’s straks weg zouden gooien, kon ze niet verdragen. Dit was het moment om er iets mee te doen.
Fiom is bezig om bij een overheidsarchief een goede plek te vinden waar het album van Marieke duurzaam bewaard gaat worden, én vindbaar en toegankelijk is voor betrokkenen (zodra bekend is waar, wordt dat hier aangepast).
Kijk voor meer informatie op de pagina’s van Huize De Hazelaar en Huize de Hoeksteen.
Over de verhalen van oud-medewerkers
Dit verhaal maakt deel uit van een reeks. Oud‑medewerkers van huizen en organisaties die betrokken waren bij binnenlandse afstand en adoptie, zijn geïnterviewd over hoe er in het verleden gewerkt werd.
De informatie uit deze verhalen is een aanvulling op wat er in dossiers en archieven te vinden is. Stichting Verleden in Zicht en Stichting De Nederlandse Afstandsmoeder hebben meegedacht over de vragen die tijdens de interviews zijn gesteld.
Herinneringen aan het verleden zijn persoonlijk en het menselijk geheugen is niet altijd betrouwbaar. Ook worden herinneringen beïnvloed door hoe er nu naar gebeurtenissen van toen gekeken wordt. Daarom zijn deze verhalen geen volledige of neutrale weergave van hoe het was, maar geven ze inzicht in hoe een individuele medewerker op haar werk terugkijkt.
Overzichtspagina verhalen van oud-medewerkers binnenlandse afstand en adoptie